Weekopening Westerkim

Maandag 19 februari 2024

Aardse tent wordt hemelse woning (n.a.v. 2 Korintiërs 4: 14-5: 8)

1e lied: Geloofd zij God met diepst ontzag – Psalm 68: 10 en 16 (OB)

 

 

Uit de Bijbel:

2 Korintiërs 4: 14, 16-18 en 5:1-8 (NBV21) 414 Wij weten dat God die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken, zodat wij samen met u voor Hem zullen staan (…). 16 Daarom verzaken wij onze plicht niet, want ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. 17 En de geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. (…) 51 Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel. 2 Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken. 3 We zijn er echter zeker van dat we bekleed zullen worden en niet naakt zullen zijn. 4 Zolang we in onze aardse tent verblijven zuchten we onder een zware last, omdat we niet willen dat deze kleding wordt uitgetrokken; we willen dat er nieuwe over wordt aangetrokken, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden. 5 Hiervoor heeft God zelf ons gereedgemaakt, door ons de Geest als onderpand te geven. 6 Dus blijven wij altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen. 7 Want we leven vanuit vertrouwen, zonder al echt te zien. 8 Ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek te nemen bij de Heer, toch blijven we vol goede moed.

Overdenking: Aardse tent wordt hemelse woning (n.a.v. 2 Kor. 4: 14-5: 8)

Als geestelijk verzorger heb ik te maken met ouderen, die – elk op eigen wijze – de lasten voelen van hun leeftijd en afnemende gezondheid. In gesprekken komt wel aan de orde wat dat met u doet, wat u vreest of hoopt. Want ja, als je ouder wordt, verliest het leven glans. Je wereld wordt kleiner. Gaandeweg kan er eenzaamheid of verdriet, verstilling of isolement komen. “Oud worden is mooi, maar oud zijn is moeilijk”, zo zegt men wel.

Paulus schrijft in 2 Korintiërs 4-5 over ‘ons uiterlijke bestaan dat verloren gaat’. Hij bedoelt onze buitenkant; wat je ziet en merkt van je lichaam. En ervaren velen van u dat niet? Lopen wil niet meer zo, denken wordt trager. U hebt rimpels, kwalen, beperkingen; u gebruikt medicijnen, zuurstof, rollators, rolstoelen. Regelmatig horen we van overleden bewoners. Velen van u hebben al hun man of vrouw verloren. Onze mens-zijn vertoont steeds meer sporen van verlies: de krachtige man of knappe vrouw van vroeger heeft hulp nodig.

Paulus zegt dit in verband met moeiten bij zijn zendingswerk. Hij merkt dat hij ‘een aarden pot’ is voor de schat van het evangelie (2 Kor. 4:7): de heerlijkheid van Christus, die zijn leven gaf om ons van de dood te redden. Dat heeft grote betekenis, zegt hij: ‘wij weten dat God ook ons, net als Jezus, zal opwekken, zodat we samen voor Jezus staan!’ (4:14). Ook al ervaart hij moeiten (de doorn in het vlees; 2 Kor. 12:8) en tegenstand, Paulusj ‘verzaakt zijn plicht niet’ om dat goede nieuws van eeuwig leven dankzij Jezus’ dood te vertellen (4:16). Wat we Paulus horen vertellen, is ongelooflijk bemoedigend voor de Korintiërs, die ook tegen ziekte, ouderdom en sterven opzagen, net als wij nu. Het is dus voor ons ook troostvol, wat hij zegt. En niet alleen als je oud bent… Vorige week zaterdag stierf een broeder. Hem en zijn vrouw had ik ooit pastoraal bijgestaan. Dat gaf een band die bleef, ook na onze verhuizing. Anderhalf jaar geleden ontdekte men een hersentumor bij hem. Twee operaties volgden.

Na de tweede operatie in november werd gezegd: “Meer kunnen we niet doen.”

Als vijftiger ervoer hij aan den lijve, hoe zijn ‘uiterlijke mens verloren ging’. Toch hield hij goede moed. Hij vertrouwde op zijn God en ervoer iets van wat Paulus zegt (4:16): ‘al vervalt mijn uiterlijk, innerlijk word ik van dag tot dag vernieuwd.’

Bijbelwoorden – o.a. Psalm 68 en Romeinen 8 – vulden hem met hoop en vrede, hoe moeilijk hij ’t ook vond om zijn vrouw en gezin los te moeten laten. Dat was vernieuwend werk van de Geest, waardoor hij zei: “Dag aan dag draagt Hij mij.”

10 uur na zijn overlijden sprak de dominee in de kerkdienst over dit bijbelgedeelte. Het trof me opnieuw wat er staat over de ‘aardse tent en hemelse woning’ (5:1-2). Wat een verstrekkende belofte van God! Zo nodig voor kwetsbare mensen, die lijden aan en zuchten onder afnemende krachten! Je zúlt maar merken dat je niet zonder zorg of hulpmiddelen kunt, omdat je lijf niet meer doet wat ‘t deed.

Treffend vergelijkt Paulus ons lichaam, waarin wij op aarde verblijven, met een tent en met kleden: ‘Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel’ (v. 1).

Als tentenmaker wist Paulus: een tent maak je voor rondtrekkende mensen, die beschutting en een rustplaats nodig hebben tegen zon en regen. In onze tijd kamperen mensen in tenten. Een tent kan jaren meegaan, totdat het doek door ouder-dom en weersinvloeden kwetsbaar wordt. Dan treden er lekkage en slijtage op, laten touwen los. Voor kampeerders is een tent tijdelijk, en vaak behelpen. Hoe blij ben je na een paar week om weer terug te gaan naar je huis met alle gemakken en stevigheid. Wel, ons lichaam is als die tijdelijke tent. Die omhult en omkleedt ons, net als kleren dat doen. Op enig moment wordt ons lijf afgebroken, net als een tent. Dat willen we niet; niemand ziet uit naar sterven. Wat van ons bestaan over is, als ons lichaam uitvalt, voelt ‘naakt’ (v. 3). Daarom ziet Paulus ernaar uit, dat God een hemelse woning als pullover over ons aardse kleed aantrekt. Dan zal sterfelijkheid met onsterfelijkheid bekleed worden.

Ik maak er uit op, dat er tijdens ons sterven al hemels onderdak is: ‘een eeuwige woning in de hemel’ (v. 1b). Paulus noemt dat in 1 Korintiërs 15:44-54 een ‘geestelijk lichaam’ Gestorven gelovigen zwerven dus niet ergens tussen hemel en aarde. Nee, ook in de tussentijd – tussen ons sterven en Jezus’ terugkomst – zorgt God voor hemelse huisvesting gezorgd. Bij sterven raken we dus niet ‘dakloos’!

 

Hoe veelbelovend wat er volgt: God zal ‘het sterfelijke verslinden door het leven’ (5:4). Mooi, hè?! Ja, hiervoor heeft God zelf ons gereedgemaakt, door ‘ons de Geest als onderpand te geven’ (5:5). De Geest maakt ons er innerlijk zeker van. Daarom kan Paulus het twee keer zeggen – en laten wij ‘t hem nazeggen: ‘Dus blijven wij vol goede moed, ook al wonen we nu nog ver van de Heer’ (5:6,8). Want eens, zo de Here wil en wij léven, mogen we onze intrek bij de Heer nemen, door het geloof in Jezus. Wat een dag zal dat zijn, en wat een vooruitzicht nu al!

Amen

 

Gebed

Hemelse Vader, We danken U ervoor hoe mooi U ons eens schiep en hoe lang we – tientallen jaren – alles konden doen wat we wilden. U gaf ons onderweg veel krachten en vreugde, zoveel moois en genade. Wij mensen willen dat dat zo lang mogelijk blijft. Maar we ervaren ook tegenslagen en moeiten; we hebben geen eeuwige jeugd, hoe jong we ons van binnen ook nog kunnen voelen. Nu we ouder, wijzer en grijzer, brozer (en soms ook bozer) zijn, vragen we U: Heer, geef ons dat vertrouwen, dat U ons zult vasthouden, ook in momenten van vertwijfeling, ontluistering en sterfelijkheid. Behoed ons voor onzekerheid en stagnatie in geloof, hoop en liefde. Geef ook rust en overgave wanneer ons laatste uur aanbreekt. Hoe heerlijk, dat U, wanneer wij sterven, ons een hemelse woning aantrekt. Hoe mooi, dat we in het Vaderhuis onderdak krijgen. Vernieuw ons innerlijk steeds meer van dag tot dag. En draag ons, onze geliefden, onze huisgenoten en verzorgenden zolang we hier het licht genieten. Amen

 

Hartelijke groet, Klaas van Hoek, geestelijk verzorger De Westerkim