‘Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, al wat ik heb is God.’

Bijbel: Psalm 73 (iets bekort) NBV21 Een psalm van Asaf.

1 Ja, God is goed voor Israël, voor wie zuiver zijn van hart!

2-3 Toch had ik bijna een misstap begaan; ik keek met afgunst naar de dwazen.

4 Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard, hun buik is goedgevuld,

5 aardse kwellingen kennen zij niet, het lijden van anderen gaat hen voorbij.

6 Daarom is hoogmoed hun halssieraad en bedekt geweld hen als een mantel,

7 hun ogen puilen uit het vet, van eigenwaan zwelt hun hart.

8 Ze spotten, spreken kwaad en dreigen vanaf hun hoge zetels,

9 ze zetten een mond op naar de hemel en hun tong roert zich overal op aarde.

10 Daarom lopen de mensen achter hen aan, drinken hun woorden in als water

11 en zeggen: ‘Hoe zou God iets weten? Beschikt de Allerhoogste over kennis?’

12 Zo zijn de goddelozen ten voeten uit, ze verrijken zich, onverstoorbaar.

13 Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver en waste ik mijn handen in onschuld!

14 Want ik werd gestraft, dag aan dag, en geslagen, elke morgen weer.

15 Maar zou ik spreken als zij, ik pleegde verraad aan Gods kinderen!

16 Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten waarom – een vraag die mij kwelde,

17 tot ik Gods heiligdom binnenging en mij hun einde voor ogen bracht.

18 Ja, U zet hen op een glibberig pad en stort hen in een diepe afgrond.

19 In een oogwenk is het met hen gedaan, hun einde is een verschrikking.

20 Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer,

bij het opstaan verjaagt U ze als beelden uit een droom.

21 Zolang ik verbitterd was, gekwetst vanbinnen,

22 dom en dwaas, was ik bij U als een redeloos dier.

23 Maar nu weet ik mij altijd bij U, U houdt mij aan de hand

24 en leidt mij volgens uw plan. Dan neemt U mij weg, met eer bekleed.

25 Wie buiten U heb ik in de hemel? Naast U wens ik geen ander op aarde.

26 Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd.

27 Wie ver van U blijven, komen om, wie U ontrouw zijn, verdelgt U.

28 Bij God te zijn is mijn enig verlangen, mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER.

Van al uw daden zal ik verhalen.

Overdenking: ‘Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, al wat ik heb is God.’

Als je ouder wordt, dan zegt de volksmond: de ouderdom komt met gebreken.

Uw benen doen ‘t niet zo goed meer, uw handen houden niet meer zo stevig vast.

Uw ogen kunnen minder zien, uw oren hebben een gehoorapparaat nodig, enz. Je hebt te maken (gehad) met ziekten, tegenslag, rouw, verlies aan mogelijkheden.

Sommigen zijn, ondanks hun hoge leeftijd, nog redelijk vitaal; anderen hebben meer zorg nodig. Maar ieder kan opzien tegen vandaag, tegen morgen…

Vaak gebruiken we pillen en hulpmiddelen als we oud zijn. Maar tegen de ouderdom zelf zijn er geen medicijnen. Dan wellen vragen zomaar in je hart op:

Als ik nu eens iets krijg en ik word NIET beter?

Als ik helemaal aangewezen op andersmans hulp, wat dan?

Als ik niet meer zou weten wíe ik ben en jij…

Als m’n laatste dag aanbreekt, is ‘t dan goed? Met God? Met anderen? Voor uzelf?

Allemaal reële mogelijkheden. Maar als ze je aangaan, komt alles wel dichtbij…

Asaf, de dichter van Psalm 73, heeft met reële mogelijkheden gerekend. Hij had een zware strijd achter zich. Gods weg was hem een raadsel. Hij zou moeite hebben met Gezang 432: ‘Wat God doet, dat is welgedaan’. (U soms ook?) Hoe kan het dat dwaze goddelozen voorspoed hebben? (v. 3,12)

Hoe kan ‘t dat Gods kinderen vaak in de hoek zitten waar de slagen vallen? (v. 13,14) Asaf tobde ermee… Het was echt een strijd!

Maar Asaf ontdekte méér. Hij ontdekte dat hij een korte termijn-kijk had. Dat was toen hij Gods heiligdom binnenging en op het einde van die goddelozen lette. (v. 17) (Goddelozen zijn in het OT mensen, die God kennen, maar zonder Hem leven.) Ze leefden alleen maar voor het hier-en-nu; aan hun levenseinde dachten ze niet.

“Eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij”… Triest en kortzichtig.

Toen ging voor Asaf er een geheim open: God werkt op de lange termijn.

Geloof rekent met de lange baan: het einde! Zelfs dan houdt ’t niet op, want de HERE blijft dan ook over! Dat staat in v. 23-25 wel zo’n 6x “U”:

Maar nu weet ik mij altijd bij U, U houdt mij aan de hand, U leidt mij. Dan neemt U mij weg, met eer bekleed (‘in heerlijkheid’ NV).

Wie buiten U heb ik? Naast U wens ik geen ander op aarde.

Nee, Asaf blijft niet in hoger sferen zweven. Hij weet hoe ‘t in het leven kan gaan.

Er is een reële mogelijkheid dat zijn einde komt (v. 26a): al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam…. Lichaam en hart – je hele levensbestaan, lichamelijk én geestelijk.Als die bezwijken, is ‘t in feite met je gedaan. Waar moet een mens dan op terugvallen?

Ho, zegt Asaf. Dan is God – die grote U – “de rots van mijn bestaan.” (v. 26b) Anders gezegd: als ik bezwijk, ben ik ‘geborgen in God, in Christus’. (Kolossenzen 3:3)

IK bezwijk, maar HIJ nooit! Hij is “mijn sterke rots”! Als eenmaal mijn laatste restje levenskracht verdwijnt, dan blijft de kracht van Gods hand, dan is er toekomst. Asaf kon nog niet weten, wat wij wél als onze rijkdom weten: dat onze Here Jezus zei: ‘Wie in Mij gelooft, zal léven, óók al ben je gestorven’. (Johannes 11:26)

God is ook “al wat ik heb”. NV en HSV zeggen het preciezer: “mijn erfdeel voor eeuwig”. Toen Israël Kanaän innam en verdeelde, gaf God elke stam een eigen stuk land: hun erfdeel. Alleen Levi niet, want zij dienden de HEER in het heiligdom. Voor hen gold: de HEER was hun erfdeel; niet het land. Wat zegt Asaf nu? Wie zich aan de HEER toevertrouwt, mag zeker weten: God zelf is mijn eeuwig erfdeel, mijn enig bezit! Niets of niemand kan mij U nooit ontnemen.

Asaf komt hier tot grote hoogte. Hier hoor je al dezelfde vreugdeklank als bij Paulus: ‘Als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?!’ (Romeinen 8:33)

Wat is het geheim en de kracht van het geloof?

Dit: mijn geloof is niet gebonden aan menselijke mogelijkheden, verzorging, medicijnen, behandeling of aards geluk. Die zijn zeker nodig. Maar geloof kijkt verder, naar de HEER. Mijn geloof mag zich naar Hem uitstrekken. Mijn geloof doet me zeggen: ‘Al zou mij alles ontvallen, al ga ikzelf ten onder, dan nog ben ik veilig. Want U, HEER, bent mijn Rots, mijn eeuwig erfdeel. Alles wat ik heb is God!

Het láátste woord voor ons is niet de dood, al heeft de dood het hóógste woord.

Het laatste woord is hét Leven, een Persoon: Jezus, de Opstanding en het Leven. Wie in Hem gelooft, zal niet verloren gaan, maar eeuwig leven. Hem zij de glorie!

Amen

2e lied: Als langzaamaan geheugen gaat vervagen – eigen vertaling* op melodie van: ‘Ik bouw op U, mijn schild en mijn verlosser’ (ELB 254)

1 Als langzaamaan geheugen gaat vervagen, – de blik wordt dof, de geest raakt meer verward –

troost ons dan diep met liefde alle dagen;

zie onze pijn, spreek tot ons bange hart. O Levensbron, geef vrede die blijft dragen;

sterk ons met moed, genade die volhardt.

2 Als kwetsbaarheid de krachten op doet raken,

de arm verslapt, de fijne hand verdwijnt,

laat hier dan, Heer, uw ouderen hun taken

in trouw voltooien, U gehoorzaam zijn. Verval brengt rouw, toch wil geloof blij maken: uw sterke arm houdt ons steeds overeind!

3 Door U, o Geest, duurt goedheid niet voor even;

verleden, toekomst vloeien zacht ineen.

De vreugde blijft, door hemels licht omgeven;

geen goede daad vergaat ooit, zelfs niet één.

Uw hart omarmt ons eindig leed en leven;

wie sterft, die leeft voorgoed en wint alleen.

* ‘When memory fades and recognition falters’ is een lied van Mary Louise Bringle (*1953), dat zij maakte voor een vriendin, waarvan de moeder jarenlang aan de ziekte van Alzheimer leed.

Gebed

Eeuwige God, U kent ons van voor onze geboorte, U weet wie wij zijn, ook als wij onszelf vergeten.

Wij bidden voor allen die leven met verlies van mogelijkheden door de ouderdom. Als krachten afnemen, lichamelijk en geestelijk, doet dat zeer. We treuren om wie lijden onder eenzaamheid, verlies van krachten, rouw; om wie verward raken, herinneringen verliezen, en soms bang zijn dat U hen loslaat.

Heer, wees hun vaste rots, hun veilige toevlucht. Wees ons erfdeel, ons alles!

Wij bidden ook voor de mensen om hen heen: voor partners, kinderen, vrienden en verzorgenden. Geef geduld, liefde en kracht om nabij te zijn om uw trouw zichtbaar te maken in kleine daden. Verlaat ons niet, ook niet in onze zwakheid, maar draag ons ook in onze grijsheid, tot U eenmaal terugkomt en alles vernieuwt. In Jezus’ naam, Amen.