Maandag 9 maart 2026
Vijf broden en twee vissen – je kunt Jezus niet missen! (Joh. 6:1-15) Stap voor stap dichter bij Jezus op weg naar Pasen
1e lied: Psalm 146 (v. 1 en 3: OB; vs. 5: GKb)
Bijbel: Johannes 6: 1-15 (NBV21) Vijf broden en twee vissen voor duizenden mensen
1 Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer
van Tiberias genoemd). 2 Een grote menigte mensen volgde Hem, omdat ze gezien
hadden welke tekenen Hij bij zieken verrichtte. 3 Jezus ging de berg op, en ging daar
met zijn leerlingen zitten. 4 Het was kort voor het Joodse pesachfeest.
5 Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar Hem toe kwam, vroeg
Hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’
6 Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist Hij al wat Hij zou
gaan doen. 7 Filippus antwoordde: ‘Zelfs 200 denarie zou niet voldoende zijn om
iedereen een klein stukje brood te geven.’ 8 Een van de leerlingen, Andreas, de broer
van Simon Petrus, zei: 9 ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee
vissen – maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’
10 Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten;
er waren ongeveer 5.000 mensen. 11 Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit
en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zo veel
als ze wilden. 12 Toen iedereen volop gegeten had zei Hij tegen zijn leerlingen:
‘Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’
13 Dat deden ze en ze vulden 12 manden met wat overgebleven was van de vijf
gerstebroden die men had gegeten. 14 Toen de mensen het teken zagen dat Hij
verricht had, zeiden ze: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’
15 Jezus begreep dat ze Hem wilden dwingen mee te gaan, om Hem dan tot koning
uit te roepen. Daarom trok Hij zich terug op de berg, alleen.
Overdenking: Vijf broden en twee vissen – je kunt Jezus niet missen!
Het is een bekend beeld: een grote massa mensen bij Jezus. Vermoeid en hongerig zitten ze in het gras op een berghelling bij het Meer van Galilea (of Meer van Tiberias; vanwege de Romeinse stad aan het meer, genoemd naar keizer Tiberius Claudius Nero). We kennen het verhaal van de ‘wonderbare spijziging’ van thuis en de (zondags-)school. Het staat in Matteüs (14:15-21), Marcus (6:32-44), Lucas (9:19-17) en ook Johannes (6:1-15). Bekend dus. Maar juist als de jaren klimmen en we terugkijken op een lang leven, krijgt deze geschiedenis een diepere, bijna tastbare glans. Ik kom erop terug. In deze Veertigdagentijd volgen we het evangelie van Johannes. Ons hoofdstuk begint ermee dat Jezus, ‘de berg opging’ (6:3), net als eens Mozes. Daar is Hij met zijn leerlingen en een mensenmassa die meer genezingen wil zien. Jezus ziet ze zitten: 5.000 mannen (6:10), vrouwen en kinderen niet meegeteld (Matt. 14:21). Samen meer dan 10.000 mensen! Ieder met zijn of haar problemen en zorgen: jongeren en ouderen; zieken en gezonden. Marcus zegt, dat Jezus bij het zien van die mensen ‘innerlijk bewogen was, want ze waren als schapen zonder herder’ (Marcus 6:34). Dat laat zijn grote liefde zien: deze mensen kunnen Hem niet missen.
Bij het toestromen van die mensen voorziet Jezus al een komend voedselprobleem. Aan Filippus, één van de Twaalf en afkomstig uit het vlakbij gelegen Betsaïda (1:44), vraagt Hij: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ Niet omdat Jezus met de situatie verlegen is; Hij wist wat zou gaan doen. Maar Hij wilde Filippus op de proef stellen. (6:5-6). Wel, Filippus rekent uit, dat zelfs 200 denarie niet genoeg is om iedereen wat brood te geven. (6:7) Eén denarie was het gebruikelijke dagloon en 200 denarie stond gelijk aan 7 maand loon. Filippus zucht van onmacht: dat zit niet in de portemonnee van de Twaalf! Ondertussen is Petrus’ broer Andreas gaan kijken wat er bij de mensen in deze eenzame streek aan eten is. Onder de duizenden is er maar eentje die wat heeft: een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen. Brood, genoeg voor hem en zijn ouders. Maar dat weinige staat hij af aan Jezus. Prachtig! Maar ook Andreas zucht van onmacht: ‘Wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’ (6:8-9) Twee keer is er sprake van ‘te weinig’: te weinig geld, te weinig brood en vis. Herkent u dat gevoel van ‘te weinig’? Naarmate je ouder wordt, merk je meer je beperkingen. Onze kracht neemt af, onze invloed wordt minder. Soms voelen we ons net als die 5 broden: wat stelt ‘t nog voor in een wereld die zo groot en hongerig is? Maar het wonder begint wanneer die weinige gaven in Jezus’ handen worden gelegd! Jezus vraagt niet om een overvloed van onze kant. Hij vraagt om wat we zijn en wat we hebben, hoe klein ook.
Met slechts vijf broden en twee vissen van die jongen, met het weinige dat u hebt, leren we: ik kan Jezus niet missen!
Wat doet Jezus dan? Hij neemt die broden en spreekt het dankgebed uit. Iedere Jood kende dat gebed: ‘Geprezen bent U, Heer onze God, Koning der wereld, die brood uit de aarde doet komen.’ Jezus dankt niet voor een overvolle tafel, maar voor dat weinige dat er is. Dat is ook een les voor wie in de herfst van het leven: danken voor de kleine zegeningen van elke dag. Dat geeft glans over ons leven.
Terwijl Jezus dankt, gaat Hij brood en vis uitdelen, en al uitdelend blijft Hij danken. In Jezus’ handen wordt het weinige vermenigvuldigd tot een overvloed. Zo wordt ‘t een wondermaal, daar in het gras, vlak voor het Pesachfeest.
Zo is een avondmaalsviering dat ook: waar wij God te weinig geloof, hoop en liefde bieden, vult Hij ook onze lege handen met zijn overvloed. Jezus lijkt hier op de profeet Elisa, die met 20 gersteboden eens aan 100 profeten te eten gaf, omdat God had gezegd: ‘Zet het hen voor, want dit zegt de HEER: ze zullen ervan eten en overhouden.’ (2 Koningen 4:42-44) Jezus is veel groter dan Elisa: iedereen eet zoveel die wil en er blijft zelfs over. Bijzonder hoe Jezus dan zegt: ‘Verzamel de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’ (6:12) Gods genade is nooit ‘precies genoeg’; zij is altijd ‘overvloedig’. 12 manden brood worden ingezameld, voor elke leerling – ja, heel Israël – is er ruim genoeg! (6:13)
Je kunt Jezus niet missen, zei ik. Zie en erken Hem dan als de Heer, die stap voor stap de weg naar het lijden gaat. Die later bij het Pesachfeest brood breekt als beeld voor zijn lichaam dat gebroken zou worden om zondaren te redden en overvloed te geven. En wat zijn zondaren anders dan mensen die ‘te weinig’ hebben aan geloof, hoop en liefde, maar dat door Jezus mogen laten aanvullen. De menigte ziet in Jezus ‘de profeet die komen zou’, een tweede Mozes. Maar hier in Galilea gaat hun liefde door de maag; het is geen gelovige reactie! (6:14-15) Daarom laat Jezus zich niet ontvoeren als ‘broodkoning’ die hun aardse zorgen komt oplossen. Jezus trekt zich terug. Hij wil niet alleen onze maag vullen; Hij wil in ons hart wonen.
Aardse zekerheden kunnen ons ontvallen, je gezondheid kan wankelen, maar Jezus blijft de vaste grond onder onze voeten. In de ouderdom ontdekken we: we kunnen zonder veel luxe, maar Jezus kunnen we niet missen. Denk aan de broden en vissen. Leg daarom uw ‘vijf broden’- uw kleine krachten, uw zorgen – in zijn gezegende handen. Hij deelt Zichzelf aan u uit. Wie van dit Brood eet, zal leven in eeuwigheid.
Amen
2e lied: Gezang 75 (LvdK)
Gebed
Trouwe God en hemelse Vader,
Wij danken U voor uw woord dat ons ook vandaag weer voedt. Dank U dat U ons niet alleen laat met onze eigen berekeningen en zorgen. Wij kijken vaak naar onze eigen onmacht, ons tekort – naar wat we niet meer kunnen, naar de krachten die ons ontvallen – en we vragen ons af of het wel genoeg is.
Heer, dank U dat U ons in dit verhaal laat zien dat U aan het weinige dat wij hebben genoeg hebt. Wij leggen ons leven, onze herinneringen en zorgen in uw goede handen. Dank U dat U het Brood van het Leven bent, dat ons verzadigt op de momenten dat wij ons leeg voelen. Wilt U bij ons zijn wanneer de avond over ons leven valt. Sterk ons door uw aanwezigheid, zoals U de menigte op de berg versterkte. En als wij Avondmaal vieren, laat ons dan proeven dat uw genade meer dan genoeg is.
Heer, behoed ons ervoor dat we de moed verliezen. Herinner ons eraan dat in uw koninkrijk niets verloren gaat. Dat U zei: ‘Verzamel de brokken, zodat er niets verloren gaat’ is een troostrijke gedachte voor wie ouder wordt. Bij U, God, gaat niets verloren. Geen gebed, geen traan, en geen moment van uw trouw in ons leven. U bewaart het. Daarom bidden we:
“Heer, ontferm U over ons, / open uwe vaderarmen. Stort uw zegen over ons, / neem ons op in uw erbarmen.
Eeuwig blijft uw trouw bestaan – laat ons niet verloren gaan.” (LvdK 444:3)
Amen
Hartelijke groet, Klaas van Hoek, geestelijk verzorger De Westerkim