Als God vóór ons is, zal niets ons van Hem kunnen scheiden!

1e lied: O God, mijn God, ik zoek uw hand – Psalm 63 (GKb)

 

1 O God, mijn God, ik zoek uw hand, / ik dorst naar U, blijf op U wachten.

Zie hoe mijn ziel en lichaam smachten / naar U in droog en dorstig land.

Zo sloeg ik steeds op U mijn ogen, / als ik uw heilig huis bezocht,

uw heerlijkheid aanschouwen mocht / en vreugde vond in uw vermogen.

 

2 Uw liefde is het hoogste goed / dat U, o God, mij hebt gegeven,

uw trouw is beter dan het leven, / U bent het die mij juichen doet.

Ik wil U prijzen al mijn dagen, / waartoe uw goedheid mij bewoog,

mijn handen hef ik naar omhoog, / om heel mijn hart U op te dragen.

 

3 Dit is de spijze die mij voedt, / dat ik U prijs in stille nachten

en overleg in mijn gedachten, / hoe U mij altijd hebt behoed.

U wilt mij met uw vleugels dekken. / Dan juicht mijn ziel, uw naam ter eer,

zij hangt geheel U aan, o Heer. / Geen mens kan uit uw hand mij trekken.

 

Bijbel: Romeinen 8: 31-38 (NBV21) – Leven door de Geest

31 Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God vóór ons is, wie kan dan tegen ons zijn?

32 Zal Hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard,

maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons dan met Hem ook niet alles schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt, zit aan de rechterhand van God en pleit voor ons. 35 Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard?

36 Er staat geschreven [Ps. 44:23]: ‘Om U worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’

37 Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons zijn liefde heeft bewezen. 38-39 Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39 hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.

Overdenking – Als God vóór ons is, zal niets ons van Hem kunnen scheiden!

Laatst zong ik Psalm 63, die we net zongen. Ik moest meteen denken aan dat prachtige slot van Romeinen 8. In Psalm 63 zit David in de woestijn van Juda en heeft dorst. Naar water? Vast, want de woestijn is heet. Maar wat zegt hij? “Ik zoek U, mij God.” En ook: “Ik dorst naar U, blijf op U wachten! Zie hoe mijn ziel en lichaam smachten / naar U in droog en dorstig land”.

Uit het slot blijkt dat David op de vlucht is voor vijanden, die hem naar het leven staan. Hij denkt terug aan betere tijden, toen hij Gods heiligdom bezocht. Dat helpt hem om te kunnen zeggen: “Uw liefde is méér dan het leven!”

Met Romeinen 8 zou David kunnen zeggen: Al heb ik vijanden tègen mij, U bent vóór mij! “Uw liefde is het hoogste goed, uw trouw is beter dan het leven”. Die gedachte is voedsel voor Davids ziel. Het lest zijn dorst naar God. Reken maar, dat David zo zijn vragen had! Toch zegt hij: mensen kunnen de hand aan mij willen slaan (om mij te doden), maar “geen mens kan uit Gods hand mij trekken!”

Dat deed me denken aan het slot van Romeinen 8, waar Paulus zegt: “God is vóór ons, en niets zal ons kunnen scheiden van Gods liefde, ons bewezen in Jezus Christus” (v. 31-39). Stoere taal! Je kunt jaloers zijn op wat Paulus hier zegt. Of op mensen die dit be-amen, terwijl je zo je aarzelingen hebt: Niets kan me scheiden? Niets?? Wat dacht je dan van…?

Vergeet dan niet, dat dit machtige slot bedoeld is voor zwakke mensen, die niet weten wat ze bidden moeten, maar wel van God houden en door Hem geroepen zijn (8:26,28).

Romeinen 8 kent drie delen: het eerste deel (1-17) gaat over leven door de Geest. Als je je door de Geest laat leiden, ben je kind van God, erfgenaam van Christus. Dan deel je in zijn lijden om ook te delen in zijn luister. In het tweede deel (18-30) horen we veel over dat lijden: de schepping zucht onder vergankelijkheid, en ook de gelovigen doen dat. Zelfs de Geest zucht mee én helpt ons onhoorbaar. Voor Gods kinderen zal álles bijdragen aan het goede: de luister. Zijn daarmee alle vragen rond lijden, zinloosheid, dood en leven, beantwoord? Nee! En toch… Het mooiste moet nog komen! Dat merk je in het derde deel (31-39). “Wat moeten we hier verder over zeggen?” (8:31). Het beslissende is al gezegd. Toch ben ik blij met die vraag. En dat Paulus nog woorden vond voor het onzegbare. Paulus neemt ons mee in wat uitmondt in een lofprijzing. Dat doet hij door tegenvragen te stellen!

Vragen die onze vragen opslokken. Vragen, die ook vragen vol zekerheid zijn. Hij begint met: ‘Als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? ’ (8:31) Die vier woorden – God is vóór ons! – bevatten de hele boodschap van de Bijbel. Daarover heeft Paulus al veel geschreven. Hoe wonderlijk is ’t dat God vóór ons is!

Want wie zijn wij? Mensen die steeds vóór God zijn? Och, schei uit!

Onze gedachten, daden en woorden, wat wij met de schepping deden of wat wij van ons leven terecht brachten – dat alles zou met recht reden kunnen zijn, dat God zich tégen ons uitspreekt. Maar… zoals een rechter een allesbeslissend oordeel uitspreekt, zo spreekt God zich uit als onze Vader uit, met maar één uitkomst: vóór ons, ten goede!

Dat betekent niet dat wij geen tegenslag of erger ontmoeten.

Paulus maakte zelf het nodige mee: “tegenspoed, ellende en vervolging; honger en armoede, vervolging of het zwaard”. (8:35) Allemaal tégen hem.

Maar ver boven alles uit is er die ene werkelijkheid: God was vóór hem.

Die tegenkrachten – ook die u hier ervaart – zullen ‘t daarom beslist afleggen. Maar waarom is God dan vóór ons? Dat spreekt toch niet vanzelf? Klopt!

Vragenderwijs laat Paulus zien, welk belangrijk keerpunt God in ons leven heeft gebracht. Dat lag niet aan ons, maar alleen aan Gód:

“Zal Hij, die zijn eígen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons mét Hem niet álles schenken? Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij! Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is én opgewekt, pleit voor ons aan Gods rechterhand.” (8:32-34)

Denk aan uw Heiland: voor ons, onzekere mensen, deed Hij ‘t! Wat een genade!

De slotvraag – wat zal ons scheiden? (8:35) – loopt uit op een triomfantelijk antwoord. Na alle opties van wat ons allemaal zou kunnen scheiden van Gods liefde, is de conclusie: Niets! Helemaal niets! Ook uw zonden, tekorten of kleingeloof niet.

Ook ouderdom, noch dementie, noch Parkinson of welke ziekte ook maar kan u niet van Hem scheiden.

Ook als ik mijn lichaam of mijn geest niet meer onder controle heb, zal dat mij niet van Gods liefde kunnen scheiden. Want Christus is voor ons gestorven. God zelf houdt ons vast. Hij zal zorgen dat het geloof in het hart niet wordt gedoofd.

 

Dat zien we als we bekende christelijke liederen zingen bij mensen met dementie.

Dan is er dwars door de nevels heen herkenning: de mond beweegt, ja, zingt mee!

Zo zullen ook wij, als dat verdrietige ooit ons zou treffen, de Here niet kwijtraken.

Want “wat ons ook ontviel, groter dan de Helper is de nood toch niet” (JdH 7).

Amen

 

2e lied: God die ons heeft voorzien – Gezang 82 (ELB) > melodie LvdK 416 (‘Gelukkig is het land’) Lied van Huub Oosterhuis bij Romeinen 8:29-30

 

1 God die ons heeft voorzien / en kent bij onze naam,

die ons ten leven riep / en houdt in het bestaan.

Hij heeft ons voorbestemd / te lijken op zijn Zoon

die mens is zoals wij / en in ons midden woont.

2 Hij heeft zijn eigen Zoon / geen enkel leed bespaard.

Hij heeft ten einde toe / zijn Geest geopenbaard.

als God zo vóór ons is, / wie zal dan tegen zijn?

Al wat ons overkomt / zal hoop en zegen zijn.

3 Wie zal ons scheiden ooit / van God ons goed en bloed?

Geen toekomst en geen dood / bedreigt ons meer voorgoed.

Genadig en getrouw / wil Hij mijn vrede zijn.

Geen mens die Hem weerhoudt / om onze God te zijn.

 

Gebed: Oud worden

 

Ze speelt met haar herinneringen / zoals een moeder met haar kind.

Haar aandacht eindigt met de dingen / waar ’t voor haar kleinkind pas begint.

 

Ze ziet de kinderen zoals ze waren / en niet zoals ze heden zijn.

Ze herkent ze nauwelijks als de hare / want kinderen zijn immers klein?

 

De bruidsjapon, die ze eens maakte / en die ze droeg als jonge bruid,

de kanten sprei, die moeder haakte, / spreiden zich tastbaar voor haar uit.

 

Soms neuriet ze een kinderliedje, / dat niemand kent dan zij alleen.

En langs dat simpel melodietje / schuiven zich nieuwe beelden heen.

Haar geest wijkt terug naar ’t eerst beginnen / terwijl God Zelf haar keursteen schrijft

daar, waar haar jeugd zich zal herwinnen / en al het oude achterblijft.

 

Enny IJskes-Kooger, in: ‘Een fluit van riet’.