Quiz over de Timmerman

1. Welk gereedschap gebruikt een timmerman om een spijker in hout te slaan?
A. Beitel
B. Hamer
C. Schaaf

2. Waarmee meet een timmerman de lengte van een plank?
A. Duimstok
B. Lepel
C. Tang

3. Hoe heet het gereedschap waarmee hout glad wordt gemaakt?
A. Vijl
B. Beitel
C. Schaaf

4. Wat betekent de uitdrukking: “Twee keer meten, één keer zagen”?
A. Snel werken
B. Goed controleren voordat je begint
C. Altijd samen werken

5. Van welk materiaal maakt een timmerman meestal meubels?
A. Glas
B. Hout
C. Steen

6. Hoe heet een houten meubel waaraan je eet?
A. Kast
B. Bed
C. Tafel

7. Welk gereedschap heeft tanden om hout door te zagen?
A. Zaag
B. Hamer
C. Winkelhaak

8. Wat draagt een timmerman vaak om zijn kleding te beschermen?
A. Schort of overall
B. Stropdas
C. Jas

9. Wat bouwt een timmerman vaak in een huis?
A. Trappen
B. Gordijnen
C. Tapijt

10. Welke houtsoort komt veel voor in Nederland?
A. Vurenhout
B. Bamboe
C. Kokoshout

11. Hoe heet de werktafel van een timmerman?
A. Werkbank
B. Bureau
C. Toonbank

12. Wat gebruikt een timmerman om een rechte hoek te controleren?
A. Winkelhaak
B. Hark
C. Kompas

13. Wat zit meestal in een vogelhuisje?
A. Kat
B. Vogel
C. Konijn

14. Welke geur hoort vaak bij een timmerwerkplaats?
A. Vers hout
B. Benzine
C. Zeewater

15. Welk beroep lijkt het meest op dat van een timmerman?
A. Schrijnwerker
B. Bakker
C. Kapper

16. Wat deed een timmerman vroeger vaak zonder machines?
A. Met de hand zagen
B. Met een computer werken
C. Telefoneren

17. Welk houten voorwerp staat vaak in de woonkamer?
A. Stoel
B. Fiets
C. Paraplu

18. Wat gebruikt een timmerman om twee stukken hout aan elkaar te maken?
A. Spijkers of schroeven
B. Papier
C. Touw

19. Welk gebouw in een dorp had vroeger vaak veel houtwerk?
A. De molen
B. Het zwembad
C. De supermarkt

20. Wat is volgens veel mensen de belangrijkste eigenschap van een goede timmerman?
A. Geduld en nauwkeurigheid
B. Hard zingen
C. Snel praten


Antwoorden

  1. B – Hamer
  2. A – Duimstok
  3. C – Schaaf
  4. B – Goed controleren voordat je begint
  5. B – Hout
  6. C – Tafel
  7. A – Zaag
  8. A – Schort of overall
  9. A – Trappen
  10. A – Vurenhout
  11. A – Werkbank
  12. A – Winkelhaak
  13. B – Vogel
  14. A – Vers hout
  15. A – Schrijnwerker
  16. A – Met de hand zagen
  17. A – Stoel
  18. A – Spijkers of schroeven
  19. A – De molen
  20. A – Geduld en nauwkeurigheid