Maandag 27 april 2026
‘Heb je Mij lief?’ (Johannes 21: 1-17)
Lied 1: U geeft rust
Uit de Bijbel: Johannes 21: 1-17 (iets verkort) Jezus aan het meer
1 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. 2-4 Simon Petrus, Thomas, Natanaël, de zonen van Zebedeüs [Jakobus en Johannes] en nog twee leerlingen gingen vissen, maar vingen die nacht ze niets.
4 Vroeg in de morgen stond Jezus op de oever; maar de leerlingen wisten dat niet. 5 Hij riep: ‘Hebben jullie iets te eten, jongens?’ ‘Nee!’ 6 ‘Gooi het net rechts van het schip uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Toen zat er zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7 De leerling van wie Jezus veel hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Daarop sprong Petrus in het water. 8 De andere leerlingen sleepten het volle net achter zich aan. 9 Aan land zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van jullie is.’ 11 Petrus trok het net aan land.
Het zat vol grote vissen, 153, toch scheurde het net niet. 12 Jezus zei: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde te vragen wie Hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en ook van de vis. 14 Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat Hij was opgestaan.
15 Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes,
heb je Mij lief, meer dan de anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’
Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’
16 Nog eens vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’ Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen.’ 17 En voor de derde maal vroeg Hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van Me?’ Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer vroeg of hij van Hem hield. Hij zei: ‘Heer,
U weet alles, U weet toch dat ik van U houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn schapen.’
Overdenking: ‘Heb jij Mij lief?’ (Johannes 21:15-17)
Wat een bijzondere ontmoeting daar, aan de oever van het Meer in Galilea. Johannes gaat in één ruk door: van Jezus’ verschijning aan zijn leerlingen ergens in een afgesloten zaal in Jeruzalem (20:19-29), naar het landelijke Galilea.
Daar verschijnt Hij voor de derde keer aan hen, wanneer ze aan het vissen zijn.
De tegenstellingen tussen Jeruzalem en Galilea waren groot. In Jeruzalem hadden ze met Jezus de intocht meegemaakt: Hosanna alom! Op donderdag hadden ze met Hem het Pesachfeest gevierd. Maar in die nacht was Jezus verraden door Judas en opgepakt. Iedereen was gevlucht, Petrus ook.
Later keek hij op veilige afstand toe bij een kampvuur, hoe ‘t met Jezus zou aflopen. (Johannes 18:16,18) Daar herkenden mensen Petrus. Drie keer kreeg hij de vraag: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ Drie keer ontkende hij dat. (Joh. 18:17,25,26) De derde keer had hij zelfs gevloekt. (Matteüs 26:74) Toen kraaide de haan. Petrus moest bitter huilen. (Lucas 22:62) Wat had hij gefaald!
Er volgden drie bijzondere dagen. Die vrijdag was de zwartste dag van Petrus’ leven: zijn Heer Jezus was gemarteld en gekruisigd, gedood en begraven. De zaterdag van de sabbat was een dag van stille verdriet en verwarring.
Maar die zondag zou Petrus nooit vergeten. Ze hoorden dat het graf leeg was, en ’s avonds verscheen Jezus levend aan zijn leerlingen. En een week later weer.
Beide keren had Hij gezegd: ‘Vrede zij met jullie!’ Ook voor Petrus.
En nu is Petrus met de andere leerlingen terug in Galilea. Terug naar de plek, waar Jezus had gezegd: ‘Ik maak jullie vissers van mensen!’
Terug naar de plek waarvan Jezus en later ook de engelen hadden gezegd: ‘Als Ik ben opgewekt, ga Ik jullie voor naar Galilea.’ (Matteüs 4:19; 26:32; 28:7)
Ze zijn gegaan en wachten nu op een nieuwe ontmoeting met Jezus.
Ondertussen pakken ze hun oude werk weer op: vissen. Maar die nacht vangen ze niets. Lege netten. Alles tevergeefs. Een bekend gevoel ook voor mensen die ervaren dat hun krachten opraken en het gevoel hebben weinig meer bij te dragen.
Ineens staat daar iemand aan de oever, die hen wat toeroept: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ (v. 5) Het is Jezus, maar de leerlingen herkennen Hem niet.
‘Nee!’, klinkt het kort af. De man roept: ‘Gooi het net rechts uit, dan lukt het wel’.
En warempel: het net raakt zo vol met vissen dat ze het niet kunnen optrekken.
Johannes zegt tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’
Petrus springt meteen het water in en rent naar zijn Meester.
Die heeft een vuurtje met brood en zelfs vis. Toch negeert Jezus hun vangst niet: ‘Breng ook wat van de vis die jullie gevangen hebben.’ Er volgt een maaltijd in stille verwondering. (v. 12-14) Jezus doet niets spectaculairs. Hij dient en is gewoon bij hen.
Dan spreekt Jezus persoonlijk Petrus aan. ‘Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij méér lief dan de anderen hier?’ (v. 15) Hij zegt niet: ‘Waarom heb je Me verlaten?’
Jezus vraagt ook niet of Petrus sterk genoeg is, moedig genoeg, geschikt genoeg.
Hij vraagt alleen naar liefde. Daarmee geeft Jezus aan: dát is de kern.
Niet wat je doet of kunt, maar wie je liefhebt.
Die boodschap heeft u uw leven lang al gehoord. En die doet er ook vandaag toe.
Naarmate de jaren vorderen wordt je leven steeds meer tot de kern teruggebracht. Je kunt minder, je wereld wordt kleiner. En soms voel je je tot last. Maar wat een bevrijdende boodschap hoor ik dan: bij Jezus telt niet wat en hoeveel je nog kunt, maar of je Hem liefhebt! Of je bij Hem wilt horen en je vertrouwen in Hem hebt.
Drie keer stelt Jezus die vraag: ‘Hou je van Mij?’ En drie keer antwoordt Petrus:’Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’ Bij de derde keer voel je Petrus er verdrietig worden: ‘Heer, U weet alles.
U weet toch dat ik van U houd?!’
Inderdaad kent Jezus hem door en door. Er komt geen vierde keer. Net zo vaak als Petrus Jezus verloochend had, net zo vaak verklaart Petrus nu zijn liefde aan Jezus.
Op Petrus’ antwoorden reageert Jezus ook drie keer: ‘Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen.’ Jezus is de goede Herder die na Pasen zijn verstrooide kudde opzocht, liefhad. En die liefde mag Petrus gaan doorgeven aan alle mensen.
Petrus mag nu écht ‘visser van mensen’ worden en zo zorgen voor Gods kudde.
Ook vandaag zijn er nog altijd herders: mensen die namens de kerkelijke gemeente of de zorginstelling naar u omzien en zorgdragen. Maar we mogen ook onderling, als schapen van Gods kudde, naar elkaar omzien. Soms is het gewoon er zijn, luisteren, meeleven en bidden voor of met de ander. Soms is het ook verdragen, volhouden, trouw zijn in het kleine. Ook dat is liefde.
Vandaag kijkt Christus ook ons aan, in dit huis van zorg en kwetsbaarheid.
Niet om ons te bevragen op onze prestaties, maar op ons hart. Heb je Mij lief? Misschien een aarzelend ja, of juist spontaan.
Misschien liefde met vallen en opstaan.
Maar Hij neemt uw antwoord graag aan.
Uiteindelijk rust alles niet op onze liefde voor Hem,
maar op Gods liefde voor ons. Die gaat voorop. Een liefde die sterker is dan ons falen en onze kwalen. Een liefde die ons draagt – ook nu, ook hier.
Amen
2e lied: Mijn Jezus, ik hou van U – Lied 371 (ELB = Opwekking 392)
Hartelijke groet, Klaas van Hoek, geestelijk verzorger De Westerkim