Quiz over taal

Ronde 1 – Maak het spreekwoord af

  1. Wie het eerst komt, …

  2. Hoge bomen …

  3. De appel valt niet ver …

  4. Als het kalf verdronken is, …

  5. Beter één vogel in de hand …

  6. Al doende …

  7. Wie A zegt …

  8. Van uitstel komt …

  9. Wie zijn billen brandt …

  10. Morgenstond heeft …


Ronde 2 – Wat betekent het?

Kies het juiste antwoord.

  1. Iemand in de maling nemen
    a) Iemand helpen
    b) Iemand voor de gek houden
    c) Iemand bellen

  2. Met de deur in huis vallen
    a) Meteen ter zake komen
    b) Per ongeluk vallen
    c) Te laat komen

  3. Het ijs breken
    a) Schaatsen
    b) Een gesprek beginnen
    c) Water koud maken

  4. De spijker op de kop slaan
    a) Iets precies goed zeggen
    b) Timmeren
    c) Iets laten vallen

  5. Door de mand vallen
    a) Betrapt worden
    b) Boodschappen doen
    c) Op de grond zitten


Ronde 3 – Welk woord hoort er niet bij?

  1. Tafel – Stoel – Bank – Auto

  2. Appel – Peer – Banaan – Aardappel

  3. Hond – Kat – Koe – Trein

  4. Januari – Februari – Maart – Vrijdag

  5. Fiets – Auto – Trein – Banaan


Ronde 4 – Letterspel

Maak een nieuw woord met dezelfde letters.

  1. MEEL → (voedsel)

  2. STOP → (dier)

  3. LEPEL → (deel van het lichaam)

  4. BOER → (persoon)

  5. STER → (hemel)


Ronde 5 – Algemene taalvragen

  1. Hoe noem je iemand die boeken schrijft?

  2. Hoe heet een woord dat hetzelfde betekent als een ander woord?

  3. Hoe heet een zin met een vraagteken?

  4. Hoe heet een woord dat het tegenovergestelde betekent?

  5. Welk woord is het meervoud van kind?


✅ Antwoorden

Ronde 1

  1. … het eerst maalt

  2. … vangen veel wind

  3. … van de boom

  4. … dempt men de put

  5. … dan tien in de lucht

  6. … leert men

  7. … moet ook B zeggen

  8. … afstel

  9. … moet op de blaren zitten

  10. … goud in de mond

Ronde 2
11. b
12. a
13. b
14. a
15. a

Ronde 3
16. Auto
17. Aardappel
18. Trein
19. Vrijdag
20. Banaan

Ronde 4 (mogelijke antwoorden)
21. ELM (of “meel” → “leem”)
22. Pots / spot / tops (bijv. “spot”)
23. Pel
24. Ober
25. Rest

Ronde 5
26. Schrijver / auteur
27. Synoniem
28. Vraagzin
29. Antoniem
30. Kinderen