Elke woensdagmiddag ging meneer Van Dijk naar het park. Dat deed hij al jaren. Niet omdat het moest, maar omdat het goed voelde. Het park lag op tien minuten lopen van zijn huis. Hij nam altijd dezelfde route, langs de bakker op de hoek en het kleine bruggetje over het water.
Hij liep niet snel. Dat hoefde ook niet. Meneer Van Dijk had geleerd dat haasten nergens voor nodig was. De wereld ging al snel genoeg.
Bij de ingang van het park stond een grote kastanjeboom. In de lente kwamen er witte bloemen aan, in de zomer gaf hij schaduw en in de herfst lagen er glanzende kastanjes op de grond. Meneer Van Dijk bleef er vaak even bij staan. Hij legde zijn hand op de stam en voelde de ruwe schors onder zijn vingers.
Verderop in het park stond een houten bankje. Zijn bankje. Het stond vlak bij de vijver. Daar zaten eenden en soms een reiger. Meneer Van Dijk ging zitten en keek om zich heen.
Het water rimpelde zachtjes. De wind bewoog de bladeren. Af en toe hoorde hij kinderen lachen in de verte. Het deed hem denken aan vroeger. Aan de tijd dat hij hier zelf liep met zijn vrouw en hun twee dochters. De meisjes renden vooruit, terwijl hij en zijn vrouw rustig achter hen aan liepen.
Zijn vrouw, Anna. Ze hield van dit park. “Hier kan ik mijn hoofd leegmaken,” zei ze altijd. Ze zaten dan samen op het bankje, hand in hand. Soms zeiden ze niets. En dat was goed.
Meneer Van Dijk zuchtte zacht. Hij miste haar nog steeds. Maar het was geen zware pijn meer. Het voelde meer als een warme herinnering die altijd bij hem bleef.
Een eend waggelde naar hem toe. Hij glimlachte en haalde wat broodkruimels uit zijn jaszak. Dat deed hij eigenlijk nooit meer, want hij wist dat brood niet goed was voor eenden. Maar vandaag had hij een klein handje zaden bij zich. Die strooide hij voorzichtig op de grond.
“Zo,” zei hij zachtjes. “Dat is beter.”
Naast hem kwam iemand zitten. Een vrouw van ongeveer zijn leeftijd. Ze droeg een lichtblauwe jas en had grijs haar dat netjes in model zat.
“Goedemiddag,” zei ze vriendelijk.
“Goedemiddag,” antwoordde meneer Van Dijk.
Ze keken even samen naar de vijver. Het was stil, maar niet ongemakkelijk. Na een tijdje sprak de vrouw weer.
“Komt u hier vaker?”
“Ja,” zei hij. “Elke woensdag.”
“Dat dacht ik al,” glimlachte ze. “Ik zie u hier vaak zitten.”
Ze praatten rustig verder. Over het weer. Over het park. Over hoe fijn het was om even buiten te zijn. De tijd ging langzaam voorbij.
Toen de zon wat lager stond, stond de vrouw op.
“Het was prettig om even te praten,” zei ze.
“Dat vond ik ook,” antwoordde meneer Van Dijk.
Hij bleef nog even zitten. De eenden zwommen weg. De wind werd iets koeler. Langzaam stond hij op en liep terug naar huis.
Thuis zette hij een kopje thee. Terwijl hij bij het raam stond, dacht hij aan het park. Aan Anna. En aan het korte gesprek op het bankje.
Het was een gewone dag geweest.
Maar wel een fijne.