Gods Tien Woorden brengen muziek in ons leven – het 1e gebod Serie over de Tien Geboden (bij Exodus 20 en Deuteronomium 5)

Bijbel: Exodus 20: 3, Deuteronomium 6: 4-5 en Jozua 24: 14-15 Ex. 20 1 Toen sprak God deze woorden: 2 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft geleid.’ 3 Vereer naast Mij geen andere goden. [1e gebod]

Deut. 6 4 Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! 5 Heb de HEER, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht.

Joz. 24 14 ‘Nu dan’, vervolgde Jozua, ‘eerbiedig de HEER, dien Hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. 15 Als u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. Ikzelf en mijn familie zullen de HEER dienen!’

Overdenking: De HEER en geen ander! (1e gebod)

Bij sommige bewoners zie ik die bekende tekst uit Jozua 24 aan de muur hangen: ‘Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen’ (NBG 1951). Vaak was dat dan hun trouwtekst; en ook die van mijn ouders. Het is een belijdenis: in de wereld van vandaag wil ik met mijn huis, m’n familie, God dienen. Een prachtige tekst! Deze tekst van Jozua klinkt in een bijzondere context: die van heidense afgoden. Jozua was eerder Mozes’ rechterhand bij de uittocht uit Egypte. Hij was er ook bij, toen God zijn geboden gaf op de Horeb. Later mocht Mozes het beloofde land niet in; Jozua werd de nieuwe leider. Met Gods hulp nam hij het land in en verdeelde ‘t onder de 12 stammen. Nu Jozua op leeftijd is gekomen, houdt hij een afscheidsrede.

Eerst somt hij op wat de HEER allemaal gedaan heeft (Jozua 24:1-13): hoe God Abraham uit Eufraat naar Kanaän had gehaald. Hoe Jakob en z’n zonen naar Egypte gingen. Hoe het volk daar tot slaven gemaakt was. Hoe God hen uit Egypte leidde door Mozes, hen redde bij de Rietzee. Hoe God levensonderhoud gaf in de woestijn, bescherming tegen Amorieten en Moabieten. Hoe ze door de Jordaan het beloofde land introkken; Jericho en de rest van het land kregen. Dan zegt Jozua indringend (24:14): ‘Nu dan, eerbiedig de HEER en doe de goden weg, en dien alleen de HEER’.

Hoezo: doe de goden weg? Dienden ze niet alléén de HEER, naar het eerste gebod? Zeker, maar wat bleek dat telkens weer een zwak punt bij Gods volk. Die verleiding van andere goden was er al bij Abraham, die uit het oosten kwam. En in het westen hoorde Israël van de goden van Egypte: van Ra en de Farao, die als god vereerd werd. Allemaal afgoden, die mensen tot slaven van angst maakten. Terwijl de HEER de enige God is! Dat was de bevrijdingsmelodie, waarmee de Tien Geboden inzetten: Ik, de HEER, heb je bevrijd, en Ik wil dat je vrij blíjft. Het eerste en voornaamste gebod is dan: dien allereerst MIJ! Jozua waarschuwt de jongere generatie, die tussen die twee culturen en vuren verkeerde. Daarom zegt hij (24:15): ‘Kies dan wie jullie willen dienen: de goden van Abrahams tijd toen of die van nú, van de Amorieten’. Hij noemt nog een derde mogelijkheid (naast die van Egypte), die later vaak tot verering van andere goden leidde: Baäl (god van de regen) en Astarte (godin van de vruchtbaarheid). Jozua vervolgt: wát jullie ook doen, ‘ik en mijn familie, wij zullen de HEER dienen’. Dit is a.h.w. zijn ‘trouwtekst’, zijn ja-woord op Gods trouw die boven het 1e gebod klinkt. Het volk antwoordt: ‘Wij zullen de HEER dienen en gehoorzamen.’ (24:16-21) Ach, wij weten hoe vaak ‘t anders liep; lees Rechters, Samuel, Koningen, Kronieken.

Dat was de verzoeking, toen en altijd: om niet alleen de HEER te dienen. Maar om genoegen nemen met minder: met nep- en namaakgoden.

Dat maakt dit eerste gebod voor ons ook actueel. De verzoeking om zònder God te leven is er zeker niet minder om geworden. In het NT waarschuwt Jezus voor de afgod Mammon, de macht van het geld (Matteüs 6:24). Toen en nu is dat voor jong én oud een verzoeking: dat je op geld je vertrouwen stelt. Over verzoeking gesproken: toen Jezus in de woenstijn uitgedaagd werd om voor de duivel neer te vallen en hem te aanbidden, zei Jezus: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de HEER, uw God, vereer alleen Hem”’ (Lucas 4:8).

Paulus zag op z’n zendingsreizen godenbeelden waarvoor heidenen offers brachten. Hij zegt: ‘Alle afgoden in de wereld stellen niets voor; ze zijn zogenaamde goden, waarvan er veel zijn. Maar er is maar één God, de Vader, en één Heer, door wie wij leven’ (1 Korintiërs 8:4-6). Ook dankt hij God, dat mensen in Tessalonica ‘zich van de afgoden hebben bekeerd tot God, om de lévende en wáre God te dienen’ (1 Tessalonicenzen 1:9-10).

Elke tijd heeft haar afgoden. De kerkhervormer Calvijn zei eens raak: Ons hart is een ‘afgoden-fabriek’. Ik herken dat: telkens worden mensen betoverd door de goden van Aanzien en Imago, Geld en Bezit, Invloed en Macht, Schoonheid en Seks, Vermaak en Verleiding, enz. Velen offeren hun geld, tijd, carrière of huwelijk ervoor op en lopen vast. Jongeren komen door online-gokken in financiële problemen. Vooral geldzucht en begeerte zijn de grote afgoden van vandaag. Misschien minder voor u als ouderen, omdat u hebt geleerd dat er meer is dan dat: de Heer, en geen ander/niets anders!

Toch: afgoderij verziekt het leven, haalt de muziek eruit, zorgt voor dissonanten. Terecht dat een oud belijdenisgeschrift – Heidelbergse Catechismus – waarschuwt: “Afgoderij is in plaats van of naast God iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt” (HC 34, v/a 95). Wie God leert kennen, ontdekt dat er alléén muziek zit in het dienen van Gód. U weet ook waarom: omdat God alles voor u overhad, zelfs zijn Zoon! ‘God in de hoge alleen’ (LvdK 254) alleen is het, die u vroeger leidde en ook nu vasthoudt en bewaart; die u vergeeft en uw innerlijk geneest. God alleen geeft toekomst! Zouden we daarvan niet gaan zingen? Dat zingen hoor ik in de Catechismus die het eerste gebod positief zó omschrijft: “Dat ik de enig ware God naar waarheid leer kennen, Hem alleen vertrouw, met álle ootmoed en geduld mij aan Hem alleen onderwerp, ál het goede van Hem alleen verwacht, Hem met héél mijn hart liefheb, vrees en eer, en wel zo, dat ik liever eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen zijn wil zou doen.” (HC 34, v/a 94). Laten wij zelf gaan zingen: “Aanbidt alleen de HEER!”(Deut. 6:4).

Amen