Fietsenmaker quiz

Quiz: De fietsenmaker

  1. Waarvoor gebruikt een fietsenmaker een bandenlichter?
  2. Wat deed een fietsenmaker vroeger vaak met een lekke binnenband?
  3. Hoe werkt een terugtraprem?
  4. Hoe heet de bekende klassieke Nederlandse damesfiets?
  5. Waarvoor wordt fietsolie gebruikt?
  6. Waarvoor gebruikten mensen vroeger vaak een fietstas of boodschappentas aan de fiets?
  7. Wat moet je regelmatig smeren om een fiets soepel te laten rijden?
  8. Waarom was de fiets in de jaren 60 en 70 zo belangrijk als vervoermiddel?
  9. Had een fietsenmaker in de jaren 60 al een computer om fietsproblemen uit te lezen?
  10. Welke fiets werd vroeger veel gebruikt om goederen te vervoeren?
  11. Waarmee brengt een fietsenmaker lucht in een fietsband?
  12. Waarom zijn goede fietsverlichting en reflectoren belangrijk?
  13. Wat kan een fietsenmaker doen met een krom fietswiel?
  14. Wie bracht vroeger vaak een kinderfiets naar de fietsenmaker als deze kapot was?
  15. Wat is een belangrijk verschil tussen de fietsenmaker van vroeger en die van nu?
  16. Noem een stuk gereedschap dat je vroeger in de werkplaats van een fietsenmaker kon vinden.
  17. Waarvoor diende een jasbeschermer op een klassieke fiets?
  18. Wat stelde een fietsenmaker vaak af wanneer iemand een nieuwe fiets kocht?
  19. Wat rook je vroeger vaak in een fietsenmakerswerkplaats?
  20. Welke moderne fiets heeft ervoor gezorgd dat fietsenmakers tegenwoordig ook veel met accu’s en elektronica te maken hebben?

Antwoorden

  1. Om een buitenband van de velg te halen.
  2. Hij zocht het gaatje op en plakte de binnenband met een stukje rubber en solutie.
  3. Door de trappers achteruit te bewegen.
  4. De omafiets.
  5. Om bewegende onderdelen, zoals de ketting, soepel te laten lopen.
  6. Om boodschappen of andere spullen mee te nemen.
  7. De ketting.
  8. Omdat veel mensen ermee naar school, werk, winkels en familie gingen.
  9. Nee. Fietsenmakers werkten toen vooral met handgereedschap en mechanische onderdelen.
  10. De bakfiets.
  11. Met een fietspomp.
  12. Om goed zichtbaar te zijn voor andere weggebruikers, vooral in het donker.
  13. Het wiel controleren en richten, onder andere met behulp van de spaken.
  14. Vaak een ouder of verzorger.
  15. Moderne fietsenmakers werken ook met elektrische systemen, accu’s, motoren en elektronica.
  16. Bijvoorbeeld een steeksleutel, schroevendraaier, tang, bandenlichter of spaaksleutel.
  17. Om kleding te beschermen tegen het achterwiel en de spaken.
  18. Bijvoorbeeld het zadel en het stuur.
  19. Een mengeling van rubber, olie, vet en metaal.
  20. De elektrische fiets, oftewel de e-bike.