Quiz over de receptioniste

1. Waar zat een receptioniste vroeger vaak te werken?
A. Achter een receptiebalie
B. In de keuken
C. In een magazijn
D. Buiten op straat

2. Welk apparaat stond vroeger vaak op het bureau van een receptioniste?
A. Een typemachine
B. Een magnetron
C. Een televisie
D. Een radio

3. Waarvoor werd een telefooncentrale vroeger gebruikt?
A. Om telefoongesprekken door te verbinden
B. Om brieven te typen
C. Om koffie te zetten
D. Om foto’s te maken

4. Hoe werden telefoongesprekken bij een oude telefooncentrale soms doorverbonden?
A. Met snoeren en stekkertjes
B. Met een touchscreen
C. Met een smartphone
D. Met een QR-code

5. Wat deed een receptioniste als iemand belde voor een medewerker die niet aanwezig was?
A. Een boodschap opschrijven
B. De telefoon weggooien
C. Een e-mail sturen
D. De bezoeker naar huis sturen

6. Waarin werden afspraken vroeger vaak genoteerd?
A. In een papieren agenda
B. In een app
C. Op een tablet
D. Op een smartwatch

7. Wat gebeurde er bij een typfout op een typemachine?
A. Soms moest het hele vel opnieuw worden getypt
B. De computer herstelde de fout
C. De tekst werd automatisch verwijderd
D. Er kwam een e-mailmelding

8. Wat stond vroeger vaak naast de telefoon?
A. Een notitieblok en potlood
B. Een tablet
C. Een smartphone
D. Een draadloze muis

9. Wat was een telefoonboek?
A. Een boek met telefoonnummers en namen
B. Een boek met afspraken
C. Een boek met recepten
D. Een boek met bedrijfsregels

10. Waarom was de receptioniste vaak een belangrijk persoon binnen een bedrijf?
A. Ze was vaak het eerste aanspreekpunt voor bezoekers
B. Ze maakte alle producten
C. Ze bestuurde de bedrijfsauto’s
D. Ze werkte in de fabriek

11. Wat kon een receptioniste vroeger aan een bezoeker aanbieden?
A. Een kopje koffie
B. Een mobiele telefoon
C. Een tablet
D. Een computer

12. Welke manier van communiceren is tegenwoordig veel gebruikelijker dan vroeger?
A. E-mail
B. Een brief met de typemachine
C. Een handgeschreven boodschap
D. Een telefoonboek

13. Wat heeft de typemachine grotendeels vervangen?
A. De computer
B. De telefoon
C. De agenda
D. Het kopje koffie

14. Wat heeft de papieren agenda grotendeels vervangen?
A. De digitale agenda
B. De typemachine
C. De telefooncentrale
D. Het notitieblok

15. Wat kan een bezoeker tegenwoordig bij sommige bedrijven zelf doen?
A. Zich digitaal aanmelden
B. De telefooncentrale bedienen
C. De directeur vervangen
D. De computer repareren

16. Wat kreeg een hotelgast vroeger vaak bij de receptie?
A. Een kamersleutel
B. Een smartphone
C. Een tablet
D. Een laptop

17. Wat kan tegenwoordig soms een ouderwetse hotelsleutel vervangen?
A. Een pasje of digitale sleutel
B. Een typemachine
C. Een telefoonboek
D. Een papieren agenda

18. Waarom moest een receptioniste vroeger vaak een goed geheugen hebben?
A. Veel informatie moest zelf worden onthouden of op papier worden bijgehouden
B. Omdat er geen telefoons waren
C. Omdat er geen bezoekers waren
D. Omdat computers alles al deden

19. Wat was een faxapparaat?
A. Een apparaat waarmee documenten via de telefoonlijn konden worden verstuurd
B. Een soort telefooncentrale
C. Een typemachine met een bel
D. Een apparaat om koffie te zetten

20. Wat is tegenwoordig vaak te vinden op een moderne receptiebalie?
A. Een computer
B. Een telefooncentrale met stekkertjes
C. Een typemachine
D. Een telefoonboek

21. Wat bleef bij het beroep van receptioniste belangrijk, ondanks alle technische veranderingen?
A. Bezoekers vriendelijk helpen
B. Met een typemachine werken
C. Telefoonstekkers verbinden
D. Alles op papier schrijven

22. Welke taak hoort bij een receptioniste?
A. Bezoekers ontvangen
B. Auto’s repareren
C. Brood bakken
D. Huizen schilderen

23. Wat kan een moderne receptioniste gebruiken om bezoekers te registreren?
A. Een tablet of bezoekerszuil
B. Een typemachine
C. Een telefoonboek
D. Een kaartenbak

24. Wat stond vroeger vaak achter de receptiebalie?
A. Een telefooncentrale
B. Een koelkast
C. Een televisie
D. Een wasmachine

25. Hoe kon een receptioniste vroeger zien welke afspraken er op een dag waren?
A. Door in de papieren agenda te kijken
B. Door een app te openen
C. Door een smartwatch te bekijken
D. Door een QR-code te scannen

26. Wat is een belangrijk verschil tussen een receptioniste van vroeger en nu?
A. Tegenwoordig wordt veel meer met computers gewerkt
B. Tegenwoordig worden geen bezoekers meer ontvangen
C. Tegenwoordig zijn er geen telefoons meer
D. Tegenwoordig wordt alles met de hand geschreven

27. Wat deed een receptioniste vroeger vaak als een bezoeker binnenkwam?
A. De bezoeker begroeten en vragen waarmee ze kon helpen
B. De bezoeker een computer geven
C. De bezoeker een typemachine geven
D. De bezoeker naar buiten sturen

28. Welke zin past goed bij een receptioniste?
A. “Goedemorgen, waarmee kan ik u helpen?”
B. “Waar is mijn voetbal?”
C. “Zet de tractor maar buiten.”
D. “De winkel gaat nu dicht.”

29. Waarom wordt de receptioniste ook wel het visitekaartje van een bedrijf genoemd?
A. Omdat bezoekers vaak hun eerste indruk van het bedrijf bij de receptie krijgen
B. Omdat ze visitekaartjes verkoopt
C. Omdat ze altijd foto’s maakt
D. Omdat ze de postzegels verzamelt

30. Wat is misschien wel het belangrijkste dat een goede receptioniste moet kunnen, zowel vroeger als nu?
A. Vriendelijk en behulpzaam zijn
B. Heel snel kunnen typen
C. Alle telefoonnummers uit het hoofd kennen
D. Met een typemachine kunnen werken

Antwoorden

  1. A – Achter een receptiebalie
  2. A – Een typemachine
  3. A – Om telefoongesprekken door te verbinden
  4. A – Met snoeren en stekkertjes
  5. A – Een boodschap opschrijven
  6. A – In een papieren agenda
  7. A – Soms moest het hele vel opnieuw worden getypt
  8. A – Een notitieblok en potlood
  9. A – Een boek met telefoonnummers en namen
  10. A – Ze was vaak het eerste aanspreekpunt voor bezoekers
  11. A – Een kopje koffie
  12. A – E-mail
  13. A – De computer
  14. A – De digitale agenda
  15. A – Zich digitaal aanmelden
  16. A – Een kamersleutel
  17. A – Een pasje of digitale sleutel
  18. A – Veel informatie moest zelf worden onthouden of op papier worden bijgehouden
  19. A – Een apparaat waarmee documenten via de telefoonlijn konden worden verstuurd
  20. A – Een computer
  21. A – Bezoekers vriendelijk helpen
  22. A – Bezoekers ontvangen
  23. A – Een tablet of bezoekerszuil
  24. A – Een telefooncentrale
  25. A – Door in de papieren agenda te kijken
  26. A – Tegenwoordig wordt veel meer met computers gewerkt
  27. A – De bezoeker begroeten en vragen waarmee ze kon helpen
  28. A – “Goedemorgen, waarmee kan ik u helpen?”
  29. A – Omdat bezoekers vaak hun eerste indruk van het bedrijf bij de receptie krijgen
  30. A – Vriendelijk en behulpzaam zijn