Trein quiz

Vragen

  1. In welk jaar werd de eerste Nederlandse spoorlijn officieel geopend?
  2. Tussen welke twee plaatsen reed de eerste Nederlandse spoorlijn?
  3. Hoe heette de locomotief die bij de opening van de eerste Nederlandse spoorlijn werd gebruikt?
  4. Welke brandstof gebruikten veel stoomlocomotieven?
  5. Welke belangrijke taak had de stoker op een stoomlocomotief?
  6. Wat is de belangrijkste taak van een treinmachinist?
  7. Welke spoorwegmedewerker controleert de kaartjes van reizigers?
  8. Wat betekent een rood spoorwegsein voor een trein?
  9. Waarom heeft een zware trein een lange remweg?
  10. Waaraan kon je vroeger een stoomtrein goed herkennen?
  11. Waarin konden reizigers vroeger de vertrek- en aankomsttijden van treinen opzoeken?
  12. Waarvoor dient een wissel op het spoor?
  13. Welke treinsoort gebruikt een dieselmotor?
  14. Welke vorm van aandrijving gebruiken veel moderne treinen in Nederland?
  15. Waarom moest een machinist vroeger de route goed kennen?
  16. Waarom had een stoomlocomotief water nodig?
  17. Wat betekent het woord rangeren bij de spoorwegen?
  18. Waarom waren de eerste treinreizen in de negentiende eeuw zo bijzonder?
  19. Wat is een perron?
  20. Wie bestuurt de trein?
  21. Hoe noem je iemand die vroeger kolen op het vuur van een stoomlocomotief schepte?
  22. Wat had een stoomlocomotief nodig om stoom te kunnen maken?
  23. Wat is de taak van een conducteur?
  24. Waarvoor dienen de rails?
  25. Wat is een spoorboekje?
  26. Waarom klinkt een trein bij een overweg vaak met een fluit of hoorn?
  27. Wat was vroeger een belangrijk vervoermiddel vóór de komst van de trein?
  28. Wat zie je vaak boven een spoor waar elektrische treinen rijden?
  29. Waarom moest een machinist goed opletten bij spoorwegovergangen?
  30. Welke Nederlandse stad was verbonden met Amsterdam door de allereerste spoorlijn?

Antwoorden

  1. 1839
  2. Amsterdam en Haarlem
  3. De Arend
  4. Kolen
  5. De stoker schepte kolen op het vuur en hielp de stoomlocomotief op druk te houden.
  6. De trein veilig besturen.
  7. De conducteur
  8. Stoppen.
  9. Door het grote gewicht en de snelheid van de trein.
  10. Aan de rook, stoom, het geluid en de grote locomotief.
  11. In een spoorboekje.
  12. Om een trein van het ene spoor naar een ander spoor te laten rijden.
  13. De dieseltrein.
  14. Elektrische aandrijving.
  15. Omdat hij de seinen, bochten, stations en andere belangrijke punten op het traject moest kennen.
  16. Water was nodig om stoom te maken.
  17. Het verplaatsen van locomotieven, wagons of rijtuigen op het spoor.
  18. Omdat de trein veel sneller was dan veel andere vervoermiddelen over land.
  19. De plaats naast het spoor waar reizigers wachten en in- en uitstappen.
  20. De machinist.
  21. De stoker.
  22. Water en brandstof, zoals kolen.
  23. Onder andere reizigers begeleiden en vervoersbewijzen controleren.
  24. Om de trein over een vaste en veilige route te laten rijden.
  25. Een boekje met de vertrek- en aankomsttijden van treinen.
  26. Om mensen en weggebruikers te waarschuwen.
  27. Bijvoorbeeld de paard en wagen, diligence of trekschuit.
  28. Een bovenleiding.
  29. Omdat daar wegverkeer en treinverkeer elkaar kruisen en extra oplettendheid nodig is.
  30. Haarlem. 🚂