Gedicht over de treinmachinist

De machinist

Daar staat de trein, klaar voor vertrek,
de machinist zit vooraan.
Hij kijkt nog eenmaal naar het sein,
dan kan de reis beginnen gaan.

De wielen draaien, langzaam eerst,
dan klinkt het spoor: tsjoek, tsjoek, tsjoek.
Een fluit klinkt over het perron,
de trein verdwijnt voorbij de hoek.

Vroeger reed men met de stoomtrein,
met rook en kolen, zwart en heet.
De machinist stond voor de ketel,
en wist precies wat hij daar deed.

Hij kende alle seinen goed,
elk station en elke bocht.
Hij wist wanneer hij remmen moest,
en waar de trein tot stilstand mocht.

Door weilanden en langs de dorpen,
reed de trein zijn vaste baan.
Bij ieder station stonden mensen,
om te vertrekken of te gaan.

Een koffer mee, een jas aan ‘t lijf,
een kaartje veilig in de hand.
Misschien naar werk, misschien op reis,
naar familie in een ander land.

En wie vandaag een trein hoort fluiten,
denkt misschien weer even terug.
Aan reizen van heel lang geleden,
aan een perron, een trein, een brug.

Aan vader, moeder, kind en koffer,
aan zwaaien door het treinraam heen.
Aan het geluid van oude wielen,
dat blijft nog jaren om ons heen.

De trein rijdt verder door de jaren,
het spoor verandert met de tijd.
Maar voor de man die vooraan zit,
blijft één ding steeds: verantwoordelijk.

Hij brengt ons veilig naar de morgen,
door regen, winter, wind en zon.
En iedere keer wanneer hij wegrijdt,
begint opnieuw een mooie tocht.

Dus als de trein weer langs komt rijden,
en je hoort het oude geluid,
denk dan aan alle machinisten
die ons brachten, heen en terug.

Want achter iedere treinreis schuilt
een verhaal van lang geleden.
En soms brengt één eenvoudig fluitsignaal
de mooiste herinneringen naar boven.