Hieronder het verhaal van Miep en Karel die naar de Markt gaan!
Op een frisse zaterdagochtend besloten Karel en Miep samen naar de markt te gaan. Dat klinkt romantischer dan het was, want het begon al bij de voordeur.
“Heb jij de tas?” vroeg Miep terwijl ze haar jas dichtritste.
“Welke tas?” vroeg Karel, die nog bezig was zijn sleutels te zoeken terwijl die gewoon in zijn hand zaten.
“De boodschappentas, Karel. We gaan naar de markt, niet liften.”
Karel keek naar zijn lege handen en zei: “Ik dacht dat we daar wel een tas konden kopen. Dan steunen we de lokale economie.”
Miep kneep haar ogen samen. “We gaan groente kopen, geen aandelen.”
Na een korte, maar intensieve discussie (waarbij Miep won door simpelweg alvast naar buiten te lopen), gingen ze uiteindelijk toch zonder tas op pad.
Eenmaal op de markt werd Karel meteen afgeleid door een kaasboer. Nog voordat Miep “we houden ons aan het lijstje” kon zeggen, had Karel al drie blokjes kaas in zijn mond.
“Deze heeft diepgang,” zei hij met volle mond.
“Je staat gewoon gratis te eten,” zei Miep.
“Proeven is een kunst,” antwoordde Karel plechtig.
Tien minuten later hadden ze vijf soorten kaas gekocht, waaronder eentje waarvan Karel niet eens wist hoe je de naam uitsprak.
“Waarom hebben we deze?” vroeg Miep.
“Hij keek me aan,” zei Karel.
“Het is kaas, Karel. Het heeft geen ogen.”
“Dat maakt het juist mysterieus.”
Bij de groentekraam probeerde Miep orde te scheppen. Ze haalde haar lijstje tevoorschijn en begon systematisch.
“Tomaten, komkommers, paprika…”
Karel stond ernaast en kneep in elke tomaat alsof hij op zoek was naar een geheime code.
“Niet knijpen!” fluisterde Miep fel.
“Ik controleer de kwaliteit.”
“Je controleert hoe snel we worden weggestuurd.”
De groenteman keek inmiddels argwanend toe terwijl Karel een tomaat optilde en eraan rook alsof hij een wijnproever was.
“Hint van… tomaat,” concludeerde hij.
“Goed gezien,” zei Miep droog.
Even verderop kwamen ze langs een kraam met kruiden. Karel pakte een bosje koriander, rook eraan en trok een gezicht.
“Dit ruikt naar zeep.”
“Dat is koriander,” zei Miep.
“Wie heeft besloten dat eten naar zeep mag smaken?”
“Dezelfde mensen die jou laten kiezen wat we kopen, blijkbaar.”
Bij de viskraam werd het niet rustiger. Karel bleef staan bij een grote vis en keek hem indringend aan.
“Hij kijkt terug,” zei Karel.
“Dat doen dode vissen niet, Karel.”
“Deze wel. Ik voel een connectie.”
“Je staat al twee minuten tegen een vis te praten.”
De visboer mengde zich: “Wilt u hem kopen of interviewen?”
“Wat is zijn verhaal?” vroeg Karel serieus.
Miep trok hem weg voordat het uit de hand liep.
Na een tijdje kwamen ze bij een kraam met keukenspullen. Daar ging het helemaal mis.
“We hebben geen nieuwe lepel nodig,” zei Miep resoluut.
“Deze voelt anders,” zei Karel terwijl hij een houten lepel vasthield alsof het een magisch object was.
“Het is een lepel.”
“Maar een goede lepel.”
Vijf minuten later liepen ze weg met de lepel.
“Dit was niet de bedoeling,” mompelde Miep.
“Je moet soms luisteren naar je hart,” zei Karel.
“Je hart heeft een koopprobleem.”
Alsof dat nog niet genoeg was, bleef Karel ineens staan bij een kraam met sokken.
“Sokken kunnen we altijd gebruiken.”
“We kwamen voor eten!”
“Dit zijn markt-sokken. Dat is anders.”
Tien minuten later hadden ze drie paar sokken, waarvan één paar met kippen erop.
“Waarom kippen?” vroeg Miep.
“Voor de sfeer.”
Na anderhalf uur, zeven discussies (waarvan drie over courgettes: “te groot!” – “juist efficiënt!”), en een tas die ze uiteindelijk tóch hadden moeten kopen, liepen ze terug naar huis.
Karel droeg de tas. Of beter gezegd: hij probeerde hem te dragen terwijl de inhoud gevaarlijk begon te verschuiven.
“Ik denk dat de kaas zwaarder is geworden,” zei hij.
“Dat heet ‘te veel kopen’,” zei Miep.
Halverwege stopte Karel ineens.
“Wat nu?” vroeg Miep.
“Ik heb het gevoel dat we iets vergeten zijn.”
Miep keek hem aan. “Het lijstje?”
Karel pakte het lijstje uit zijn zak, keek ernaar en werd stil.
“We hebben… niets van het lijstje,” zei hij langzaam.
Miep keek naar de tas vol kaas, sokken, kruiden, een lepel en een vis die ze uiteindelijk toch hadden gekocht “voor de connectie”.
Ze zuchtte diep… en begon toen te lachen.
“Volgende week weer?” vroeg Karel voorzichtig.
Miep glimlachte. “Alleen als jij de tas meeneemt, het lijstje volgt, en niet met voedsel gaat praten.”
Karel knikte serieus. “Afgesproken.”
Ze liepen een paar stappen verder.
“Karel?”
“Ja?”
“Waarom ruikt het naar vis?”
Karel keek naar de tas.
“Oh… hij leeft nog een beetje, denk ik.”
Miep sloot even haar ogen.
“Volgende week ga ik alleen.”