Geschiedenisverhaal over de fietsenmaker

Een dag als fietsenmaker in 1965

Het is half acht in de ochtend. Buiten hangt nog een frisse ochtendnevel boven de straat. Je trekt je jas aan, pakt de sleutel uit je zak en opent de deur van de fietsenwinkel.

Zodra je de deur opendoet, komt de bekende geur je tegemoet.

Rubber. Olie. Metaal. Een beetje vet.

Je glimlacht. Dit is jouw wereld.

Je doet het licht aan en kijkt de winkel rond. Langs de muur staan fietsen netjes naast elkaar. Damesfietsen met grote zwarte spatborden, herenfietsen met een stevige stang en een paar kinderfietsen die nog wachten op hun nieuwe eigenaar.

Aan de toonbank liggen fietsbellen, sloten en lampjes. Een paar nieuwe banden hangen aan haken aan de muur.

Achter in de winkel ligt je werkplaats.

Daar wacht het werk.

De eerste klant

Nog voordat je goed en wel je jas hebt uitgetrokken, gaat de deur open.

“Goedemorgen!”

Het is meneer De Vries. Hij woont een paar straten verderop.

“Mijn achterband is weer zacht.”

Je zet zijn fiets op de standaard en draait aan het wiel.

“Heb je hem gisteren nog opgepompt?”

“Ja, maar vanmorgen was hij alweer leeg.”

Je weet genoeg.

Je haalt de binnenband eruit en pompt hem voorzichtig op. Daarna houd je hem in een bak met water.

Daar!

Een klein rijtje belletjes stijgt naar boven.

“Daar zit het gaatje.”

Meneer De Vries kijkt toe.

“Kun je hem vandaag nog maken?”

Je knikt.

“Vanmiddag staat hij klaar.”

Hij zet zijn fiets tegen de muur en loopt naar buiten.

De volgende klant wacht al.

Een kind met een kapotte ketting

Een jongen van een jaar of tien komt binnen met zijn fiets.

Hij kijkt een beetje zenuwachtig.

“Mijn ketting is eraf.”

Je loopt met hem naar buiten.

De ketting hangt inderdaad los tussen het achterwiel en het frame.

“Dat is zo gemaakt.”

Je legt de fiets op zijn kant en zet de ketting weer op het tandwiel. Met een beetje draaien aan de trappers komt hij weer op zijn plaats.

De jongen probeert voorzichtig te fietsen.

Het lukt.

“Hoeveel kost het?”

Je lacht.

“Voor deze keer niks.”

Zijn gezicht klaart op.

“Bedankt!”

Hij springt op zijn fiets en rijdt weg.

Je kijkt hem na.

Waarschijnlijk vertelt hij straks op school dat de fietsenmaker zijn fiets in een paar minuten heeft gemaakt.

Tijd voor koffie

Rond tien uur is het even rustig.

Je zet koffie.

Geen ingewikkelde koffiemachine, gewoon een ouderwetse pot koffie.

Je gaat even zitten op het krukje naast de werkbank.

Op de radio klinkt muziek.

Je kijkt naar de fietsen die nog gerepareerd moeten worden.

Een kapotte lamp.

Een los spatbord.

Een fiets waarvan de rem niet goed werkt.

En een oude herenfiets waarvan de eigenaar heeft gevraagd of je hem weer helemaal netjes kunt maken.

Je neemt nog een slok koffie.

Daarna gaat het werk weer verder.

Een fiets uit de jaren vijftig

De oude herenfiets staat al een tijdje in de werkplaats.

De eigenaar wil hem niet wegdoen.

“Deze fiets heb ik gekregen toen ik trouwde,” heeft hij gezegd.

Je begrijpt het.

Zo’n fiets heeft herinneringen.

Je haalt de ketting eraf en maakt hem schoon. Je controleert de remmen, draait de bouten na en kijkt naar de wielen.

Het ene spatbord zit een beetje scheef.

Je pakt een tang.

Voorzichtig buig je het metaal terug.

Je werkt rustig.

Je hoeft geen haast te maken.

Een fiets moet goed worden gemaakt.

Niet snel.

De middag

Na de lunch wordt het drukker.

Een mevrouw komt binnen met haar damesfiets.

“De fiets maakt zo’n raar geluid.”

Je maakt een proefritje.

Bij iedere omwenteling hoor je een zacht gekraak.

Je stapt af en kijkt.

De ketting heeft olie nodig.

Een paar druppels zijn genoeg.

Je draait de trappers rond.

Het geluid verdwijnt.

“Dat was alles?”

“Dat was alles.”

Ze kijkt opgelucht.

“Dan kan ik weer naar huis.”

“Zeker.”

Ze stapt op en rijdt weg.

Een jongen wil een nieuwe fiets

Later die middag komt er een vader binnen met zijn zoon.

De jongen kijkt met grote ogen naar de fietsen.

Hij wil een nieuwe fiets.

Niet zomaar een fiets.

Hij heeft er al een uitgekozen.

“Die!”

Je haalt de fiets naar voren.

De jongen gaat erop zitten.

Je stelt het zadel af.

“Kun je met je voeten bij de grond?”

Hij probeert het.

“Ja!”

Zijn vader kijkt naar de prijs.

Er wordt even overlegd.

Een nieuwe fiets is een flinke aankoop.

Maar de jongen blijft glimlachen.

Je weet bijna zeker dat hij vanavond niet kan wachten om zijn nieuwe fiets aan iedereen te laten zien.

Aan het einde van de dag

Tegen zes uur wordt het rustig.

Je zet de laatste fiets op zijn plaats.

De werkbank wordt opgeruimd.

Je legt de sleutels terug.

De bandenlichters gaan in de lade.

De poetsdoeken worden opgevouwen.

Je kijkt nog één keer door de winkel.

De fiets van meneer De Vries staat klaar.

De oude herenfiets is bijna opgeknapt.

En achter in de werkplaats staat nog een kinderfiets waarvan je morgen de remmen gaat nakijken.

Je doet het licht uit.

De geur van olie en rubber hangt nog steeds in de werkplaats.

Je draait de deur op slot.

Op straat fietsen mensen naar huis.

Een moeder met een kind.

Een man met een boodschappentas aan zijn stuur.

Een meisje met een schooltas op haar rug.

Je kijkt ze even na.

Morgen staan er waarschijnlijk weer nieuwe fietsen voor de deur.

Een lekke band.

Een losse ketting.

Een kapotte lamp.

Misschien iemand die een nieuwe fiets wil kopen.

En misschien komt er weer iemand binnen met een oude fiets waar een heel verhaal aan vastzit.

Je glimlacht.

Je hebt een mooi beroep.

Je maakt niet alleen fietsen.

Je zorgt ervoor dat mensen weer op weg kunnen.

En morgen begint de werkdag gewoon opnieuw.

Om half acht.

Met het openen van de deur.

En die vertrouwde geur van rubber, olie en metaal.