Geschiedenis van de piloot

Van vliegenier tot moderne piloot

Lang voordat mensen dagelijks met het vliegtuig naar hun vakantiebestemming vlogen, was vliegen iets waar men vooral van droomde. Mensen keken omhoog naar de vogels en vroegen zich af hoe het zou zijn om zelf door de lucht te kunnen bewegen. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam die droom steeds dichterbij.

De eerste vliegtuigen waren nog maar eenvoudige machines. Ze waren gemaakt van hout, met doek over de vleugels en een motor die lang niet zo betrouwbaar was als de motoren van tegenwoordig. De mannen die ermee de lucht in gingen, werden vaak vliegeniers genoemd. Het waren echte avonturiers. Ze wisten dat vliegen risico’s met zich meebracht, maar het vooruitzicht om de aarde vanuit de lucht te kunnen bekijken was onweerstaanbaar.

In Nederland begon de luchtvaart zich langzaam te ontwikkelen. Vliegvelden waren nog klein en vliegtuigen waren een bijzondere verschijning. Wanneer ergens een vliegtuig overvloog, keken mensen op straat vaak verbaasd omhoog. Kinderen renden naar buiten om het toestel te bekijken. Vliegen was nog iets bijzonders en had voor veel mensen iets magisch.

In de jaren twintig en dertig veranderde dat langzaam. Er kwamen luchtvaartmaatschappijen en vliegtuigen werden steeds groter en betrouwbaarder. Ook in Nederland groeide de belangstelling voor de luchtvaart. Schiphol ontwikkelde zich tot een belangrijke luchthaven en de KLM begon steeds meer passagiers te vervoeren.

Toch was vliegen in die tijd nog heel anders dan tegenwoordig. Een vliegreis was voor de meeste mensen een enorme gebeurtenis. Je stapte niet zomaar in het vliegtuig zoals je tegenwoordig in de auto of trein stapt. Wie vroeger ging vliegen, trok misschien zijn mooiste kleren aan en nam uitgebreid afscheid van familie. Een vliegticket was iets bijzonders en een vliegreis vaak een verhaal om nog jarenlang te vertellen.

De piloot had in die tijd een heel belangrijke rol. In de cockpit stonden allerlei meters en instrumenten. Er waren nog geen moderne computers die de route voor de piloot konden uitstippelen. De piloten moesten veel zelf weten en voortdurend opletten. Ze gebruikten kaarten, kompassen en radiosignalen om hun weg te vinden.

Wanneer we aankomen in de jaren vijftig en zestig, begint de luchtvaart steeds meer te lijken op de luchtvaart die we nu kennen. Vliegtuigen worden groter en kunnen steeds verder vliegen. Steeds meer gewone mensen maken kennis met het vliegtuig.

Stel je een luchthaven in de jaren zestig voor.

In de vertrekhal lopen mensen met grote koffers. Mannen dragen pakken en vrouwen zijn netjes gekleed. Op Schiphol hangt een bijzondere sfeer. Voor veel reizigers is het de eerste keer dat ze gaan vliegen. Misschien gaat de reis naar Spanje, Italië of zelfs nog veel verder weg.

Aan boord ziet alles er anders uit dan nu. De stoelen, de kleding van de stewardessen en zelfs de manier waarop passagiers worden ontvangen herinneren aan een andere tijd. Voorin het vliegtuig zit de piloot. Achter de gesloten of soms nog geopende cockpitdeur bevindt zich een wereld vol instrumenten.

De piloot van de jaren zestig is een gerespecteerd persoon. Het uniform, de pet en de strepen op de mouwen geven hem een indrukwekkend uiterlijk. Voor veel kinderen is een piloot een soort held. Wie vroeger vertelde dat hij piloot wilde worden, vertelde eigenlijk dat hij de wereld wilde ontdekken.

In die jaren werd het werk van de piloot steeds professioneler. De vliegtuigen werden ingewikkelder en de opleidingen werden uitgebreider. Piloten leerden niet alleen hoe ze een vliegtuig moesten besturen, maar ook hoe ze met slecht weer, technische problemen en andere onverwachte situaties moesten omgaan.

Langzaam veranderde ook de wereld zelf. Vliegen werd veiliger, sneller en toegankelijker. De komst van straalvliegtuigen zorgde ervoor dat grote afstanden in veel minder tijd konden worden afgelegd. Een reis die vroeger dagen of weken kon duren, kon nu in een aantal uren worden gemaakt.

En toen brak er opnieuw een bijzondere periode aan.

De jaren zeventig en tachtig brachten steeds grotere vliegtuigen. De bekende Boeing 747, ook wel de ‘Jumbo Jet’ genoemd, werd een symbool van het moderne vliegen. Voor veel mensen was het indrukwekkend om zo’n enorm vliegtuig te zien. Een vliegtuig dat honderden mensen tegelijk kon meenemen, leek bijna een wonder van techniek.

Ondertussen veranderde ook de cockpit. Er kwamen steeds meer technische hulpmiddelen die het werk van de piloot ondersteunden. Navigatie werd nauwkeuriger en communicatie met de luchtverkeersleiding werd steeds beter.

Wie vandaag een moderne cockpit binnenstapt, ziet bijna een compleet andere wereld.

De grote hoeveelheid wijzers en losse instrumenten van vroeger heeft plaatsgemaakt voor digitale schermen. Computers helpen bij de navigatie en houden allerlei systemen voortdurend in de gaten. De automatische piloot kan een groot deel van de vlucht uitvoeren.

Toch betekent dat niet dat de piloot overbodig is geworden.

Integendeel.

De moderne piloot moet juist heel veel kennis hebben van alle techniek die hem omringt. Hij of zij moet begrijpen wat de computers doen, maar ook weten wat er moet gebeuren wanneer een systeem uitvalt. Een piloot moet kunnen beslissen, rustig kunnen blijven en goed kunnen samenwerken.

Ook de cockpitbemanning is veranderd. Waar vroeger soms meerdere mensen nodig waren om een vliegtuig te bedienen, zitten tegenwoordig meestal twee piloten voorin: de gezagvoerder en de copiloot. Samen houden ze alles in de gaten.

Wanneer een modern vliegtuig opstijgt, lijkt het misschien alsof alles vanzelf gaat. Maar achter die rustige vlucht zit een enorme hoeveelheid voorbereiding en kennis.

En misschien is dat wel het bijzondere aan de geschiedenis van het vliegen.

De vliegtuigen veranderden.

De motoren veranderden.

De kaarten verdwenen langzaam en maakten plaats voor computers en satellieten.

De cockpit veranderde van een ruimte vol wijzers en schakelaars in een moderne werkplek met digitale schermen.

Maar de taak van de piloot bleef in de kern hetzelfde.

Een piloot brengt mensen veilig van de ene plaats naar de andere.

Van de eerste waaghalzen die met houten vliegtuigen de lucht in gingen, tot de piloten die tegenwoordig met honderden passagiers boven de wolken vliegen: allemaal hebben ze dezelfde bijzondere taak gehad.

De wereld onder hen wordt vanuit de lucht steeds kleiner. Wegen worden dunne lijntjes, steden veranderen in kleine patronen en rivieren kronkelen als zilveren linten door het landschap.

Misschien kijkt een piloot daar soms even naar buiten en denkt hij aan hoe bijzonder vliegen eigenlijk is.

Want nog geen honderd jaar geleden was het voor veel mensen onvoorstelbaar dat je op een ochtend kon opstappen en een paar uur later aan de andere kant van Europa kon zijn.

Nu is het voor velen heel gewoon.

Maar wanneer je terugkijkt naar de geschiedenis van de luchtvaart, blijft het eigenlijk een klein wonder.

De mens keek ooit naar de vogels en droomde ervan om te vliegen.

En uiteindelijk leerde hij het.

Eerst voorzichtig, met houten vleugels en eenvoudige motoren.

Daarna steeds verder, steeds sneller en steeds hoger.

En vandaag vliegt de piloot met behulp van techniek die de eerste vliegeniers zich waarschijnlijk nooit hadden kunnen voorstellen.

Toch blijft er boven de wolken iets hetzelfde.

De stilte.

De horizon.

Het uitzicht.

En dat bijzondere gevoel dat je even los bent van de aarde.