Weekopening Westerkim

Een ster op de vlucht (n.a.v. Matteüs 2: 1-13)

Uit de Bijbel: Matteüs 2 : 1-13 de wijzen uit het Oosten; op de vlucht

1 Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, tijdens de regering van koning Herodes, kwamen er wijzen uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: ‘Waar is de koning van de Joden die onlangs geboren is? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem te aanbidden.’ 3 Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet [Micha 5:1]: 6 “…uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.”’ 7 Daarop riep Herodes in het geheim de wijzen bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, 8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het te aanbidden.’

9 De wijzen gingen op weg, en de ster die ze hadden zien opgaan ging voor hen uit, tot boven de plaats waar het kind was. 10 Toen ze de ster zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich in aanbidding voor het kind neer en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. 12 Omdat ze in een droom de aanwijzing hadden gekregen dat ze niet naar Herodes terug moesten gaan, reisden ze via een andere weg terug naar hun land. 13 Toen verscheen in een droom aan Jozef een engel van de Heer, die zei: ‘Maak je gereed en vlucht naar Egypte met het kind en zijn moeder.

Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes zoekt het kind om het te doden.’

Overdenking: Een ster op de vlucht

Dit verhaal uit Jezus’ babytijd begint mooi, maar eindigt verontrustend. ‘t Begint met buitenlandse belangstelling: wijzen uit het oosten willen een pasgeboren koning aanbidden. Na een tussenstop in Jeruzalem bij koning Herodes, komen ze in Betlehem, vinden er Jezus, aanbidden Hem en geven Hem goud, wierook en mirre. ‘t Eindigt met binnenlandse dreiging: koning Herodes, die dit kind juist wil doden. Na het bezoek van de wijzen draagt een engel Jozef in een droom (2:13) op: “Maak je klaar en vlucht naar Egypte met moeder en kind; Herodes wil het kind doden.”

Wat een tegenstelling: vreemden zien Jezus’ ster, ja, ze aanbidden Hem als “ster”. Maar nu moet de ouders met hun kleine ster, met baby Jezus op de vlucht! Weg bij koning Herodes, een nietsontziende machtswellusteling die zich bedreigd voelt.

Vluchten… Ik moet denken aan mensen die in onze tijd op de vlucht zijn voor bommen en raketten, voor onveiligheid. Veel gezinnen met kinderen zijn op de vlucht. Bijna dagelijks zijn er berichten op TV over vluchtelingen in oorlogssituaties, die in vluchtelingenkampen vast zitten. Van de ene plek naar de andere, onzeker over hun lot. Denk ook aan het overvolle AZC in Ter Apel.

Wij kunnen ons dat haast niet voorstellen! Wij hebben allemaal een veilige woonplek. Ik ben nooit op de vlucht geweest. Misschien sommigen van u vroeger, als onderduiker voor de Duitsers of voor de Jappen. Inmiddels is er in Nederland ruim 75 jaar vrede. Wij hebben een dak boven ons hoofd, een thuis waar we welkom zijn.

Voor de Here Jezus gold dat niet. Hij was zelfs als baby al één van hen: een vluchteling! Nog voordat Hij bekend werd (“een ster” zoals wij zeggen) moet de kleine Jezus met zijn ouders op de vlucht. Jaren later zegt Jezus: “Vossen hebben holen en vogels nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd te ruste te leggen” (Matt. 8:20).

Geen plaats… Dat begon al vóór Jezus’ geboorte. Zijn ouders moesten van Nazaret naar Betlehem. Daar werd Jezus geboren in een noodopvang, omdat er geen plaats was. Allemaal vanwege een besluit van die verre keizer Augustus. Verzet daartegen heeft geen zin.

Wanneer Jezus en zijn ouders in Betlehem verblijven, komt er – na dat bezoek van de wijzen – een onverwachte dreiging. Een engel waarschuwt verschijnt opnieuw Jozef: “Vlucht naar Egypte!” Nu vanwege koning Herodes, die er nooit voor terugdeinsde om tegenstanders uit de weg te ruimen. Wat de wijzen gezegd hadden, zou zijn positie als koning kunnen schaden. Als de schriftgeleerden hem vertellen wáár de Messias geboren zou worden (Betlehem), bedenkt hij een plan om die Koningszoon uit de weg te ruimen.

Goddank werd dit plan verijdeld, zodat Jezus in leven bleef en kon opgroeien om onze Messias en Redder te worden. Al blijft ‘t moeilijk dat Jezus’ redding niet heeft kunnen voorkomen dat koning Herodes veel onschuldige jongetjes doodde en groot leed veroorzaakte bij ouders (Matteüs 2:16-18). Jezus was dus al op jonge leeftijd vluchteling. Zeg maar: een ster op de vlucht. Eerst nog in de moederschoot, van Nazaret naar Betlehem. Later als kleine baby van Betlehem naar Egypte. Ontworteld, weggrukt uit de omgeving waar Hij hoorde.

Wij weten niet wat het betekent om vluchteling te zijn. Jezus, de Zoon van God, wel! Hij werd niet alleen mens; ook vluchteling, opgejaagde, slaaf. “Hij hield zijn gelijk zijn aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens: vernederd, gehoorzaam tot in de dood” (Filippenzen 2:6-8).

Jezus werd arm om ons rijk te maken! Rijk in geestelijk opzicht: vergeving, vrede, verzoening; dat we weer welkom thuis bij God zijn en leven tot in eeuwigheid!

Zullen we dat verwonderd vasthouden in onze goede huizen, in ons veilig land? Jezus – “van al zo ver gekomen” – hoorde al jong nergens thuis op aarde. Als mens leed Hij onder gebrokenheid, speelbal van machthebbers, politiek of religieus. Daarin ook God, klein en schijnbaar onmachtig, en juist daarin ook zo echt en nabij.

Ik zie vluchtelingen op TV in kampen verweg, of in opvanglocaties dichtbij. We kijken toe, kunnen weinig betekenen. Bidden? Dat kan altijd. Maar helpen? Oplossen? Ik voel me klein, beperkt en machteloos.

Onze Here Jezus was en is anders! Hij sprong in de stroom van ellende, die de wereld kwelt. Ellende, die begon met opstand tegen God. Ellende die nog steeds doorwerkt in allerlei situaties, in wij/zij-denken.

Jezus bleef niet aan de kant staan. Hij werd mens tussen de mensen, arm met de armen, vluchteling met de vluchtelingen. Als hemelse Vluchteling en Redder werkt Hij ook nú om mensen thuis te brengen die op de vlucht zijn, voor wie of wat ook.

Eens begon ons leven mooi. Wat daarna allemaal is gebeurd, kan je soms verontrusten. Vlucht tot Hem die God gegeven heeft, “opdat ieder die in Hem gelooft – sterk of zwak, inwoner of vluchteling – niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:16). Gelovigen zijn als pelgrims en vluchtelingen “op weg naar een beter vaderland”. Voor hen maakt God een stad klaar, die uit de hemel zal neerdalen (Hebreeen 11:16; Openbaring 21:1-6). Dan is er vreugde en overvloed. Dan is Gods vluchtelingenwerk ten einde. Dan hebben wij een veilige plek voor altijd. Amen

Gebed

Heer, die is en die was en die komen zal, U bidden wij: Voor dwalers die gaan in duisternis, op zoek naar een weg maar nergens heen – Voor armen die zijn neergebogen, zonder recht of zegen, die moeten zwijgen – wees nabij, rijke God die arm werd, wees nabij. Voor rijken die alleen zichzelf zien, zonder mededogen, die leegte tegemoet gaan; Voor reizigers op hoop van zegen, een woord achterna het licht tegemoet – wees nabij, God zonder aanzien des persoons, wees nabij. Voor zieken, gedwongen tot rusten, hoopvol uitziend naar een betere dag – Voor daklozen, vluchtelingen zonder bed, bad of brood; afgewezen, buitengesloten – wees nabij, Christus die leed en die vluchten moest, wees nabij. Voor kinderen, weerloos en argeloos, nog zo vol toekomst – voor ouderen, nog wachtend en uitziend naar vrede voorgoed – wees nabij, hemelse Vader, wees nabij. Voor de nieuwe regering, die gevormd moet worden in een verdeeld land – voor mensen in zorg en onderwijs en voor ondernemers, moe en ten einde raad – wees nabij, Koning en Heer, wees nabij.

Voor ons hier, levend in de avondschemering, dromend, hopend, – voor ons en voor wie ons lief zijn, wetend van inkeer ook – wees ons nabij, eeuwige God, wees nabij en kom terug. Amen